Stichting Houtense Hodoniemen

Onderzoekt straatnamen, boerderijen, onroerend goed en adellijke families in Houten en omgeving

Straatnamenlijst Houten Noordoost

(wijzigingen voorbehouden er kunnen geen rechten aan deze lijst ontleend worden)

Gebruik Ctrl + F voor het zoeken naar je straatnaam.

Buurt De Hagen 

Wijknaam thema: landvogels


1.   De Haag - Een heg, haag, of houtkant is een meestal lijnvormige aanplanting van struiken en bomen met als doel het scheiden van ruimte. Vaak worden de termen 'heg' en 'haag' door elkaar gebruikt, regionaal kunnen ze echter verschillende betekenissen hebben. De benaming 'houtkant' is vooral in Vlaanderen gebruikelijk.

College van BenW / 23-09-1981,
Raadsvergadering / 29-09-1981

2.   Goudvinkhaag - De goudvink (Pyrrhula pyrrhula) is een zangvogel uit de familie van vinkachtigen (Fringillidae) en komt voor in Europa en de gematigde delen van Azië. Het
is een gedrongen vogel met een opvallend verenkleed. Het mannetje is van het vrouwtje te onderscheiden aan zijn felgekleurde rozerode onderzijde. Deze is bij het vrouwtje aanzienlijk valer gekleurd. De vogels vormen gewoonlijk in de herfst al broedkoppels en blijven dan tot het einde van de broedperiode bij elkaar.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

3.   Groenlinghaag - De groenling, groenvink of groninger (Chloris chloris synoniem:Carduelis chloris) is een zangvogel van de familie der vinkachtigen (Fringillidae). De vogel eet
vooral zaden.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

4.   Koolmeeshaag - De koolmees (Parus major) is een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae).
College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

5.   Lijsterhaag - Lijsters (Turdidae) zijn een grote familie van meestal
middelgrote zangvogels met goed ontwikkelde zang.
College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

6.   Merelhaag - De merel (Turdus merula) is een middelgrote zangvogel uit de familie lijsters (Turdidae). Het is een inheemse broedvogel in Europa, Azië en Noord-Afrika en een algemeen voorkomende standvogel in de meer gematigde delen van zijn verspreidingsgebied. De merel is geïntroduceerd in
delen van Noord- en Zuid-Amerika, Zuid-Afrika,
Australië en Nieuw-Zeeland. In het totale leefgebied
van de merel worden een aantal ondersoorten
onderscheiden, al worden enkele Aziatische
ondersoorten soms beschouwd als volle soorten.
College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

7.   Putterhaag - De putter (Carduelis carduelis), in de Vlaamse volksmond ook wel distelvink genoemd, is een zangvogel uit de familie der vinkachtigen. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied van de putter beslaat een groot deel van Europa, delen van Noord-Afrika en het westen van Azië. Daarbuiten is de putter geïntroduceerd in Australië, Nieuw-Zeeland,
Noord- en Zuid-Amerika en Zuid-Afrika.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

8.   Roodborsthaag - De roodborst of het roodborstje (Erithacus rubecula) is een zangvogel uit de familie Muscicapidae (vliegenvangers). Hij waagt zich dicht bij huizen, vooral 's winters. Verder is het een zeer talrijke broedvogel van grote tuinen, parken en bossen. Tot
2014 was op het terrein van de Roodborsthaag PCBS Het Mozaïek gevestigd. Nadat 3 jaar daarna nog De Krachtfabriek in het oude schoolgebouw heeft gezeten. Werd het gebouw in 2017 gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouwwoningen.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980,
College van BenW / 03-10-2017

9.   Sijsjeshaag - De sijs (Spinus spinus synoniem: Carduelis spinus) is een zangvogel van de familie der vinkachtigen. In Nederland was de sijs vooral een wintergast, maar sinds de tweede helft van de 20ste eeuw broedt hij ook in Nederland.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

10.   Spoorhaag - De Spoorhaag ligt aan de rand van de wijk tegen de spoorlijn Utrecht - 's-Hertogenbosch aan.

College van BenW / 23-09-1981,
Raadsvergadering / 29-09-1981

11.   Wielewaalhaag - De wielewaal (Oriolus oriolus) is een zangvogel en de enige uit de familie van wielewalen en vijgvogels (Oriolidae) die in Nederland en België voorkomt.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

Buurt De Weiden 

Wijknaam thema: watervogels 

1.   De Weide - Met gras bedekte landen; zij worden onderscheiden in droge, natte en moerassige weiden.

College van BenW / 23-09-1981,
Raadsvergadering / 29-09-1981 

2.   Futenweide - Futen (orde Podicipediformes; familie Podicipedidae) vormen een orde met maar één familie van watervogels van meren en plassen. De familie telt 23 soorten.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

3.   Ganzenweide - Ganzen zijn grote, zwaargebouwde watervogels uit de familie Anatidae (zwanen, ganzen en eenden). Hierbinnen behoren ze tot de onderfamilie Anserinae (zwanen en ganzen). Ganzen zijn gespecialiseerd in het grazen en leven meer op het land dan andere Anatidae.
Daarvoor hebben ze sterke, vrij lange poten, die midden onder het lichaam geplaatst zijn. Hierdoor kunnen ze goed lopen. In Europa leven twee geslachten: Anser (Grijze ganzen) en Branta
(Zwart-witte ganzen). Het woord gans wordt ook gebruikt voor een vrouwelijke gans. Het mannetje noemt men ganzerik,gent of gander.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

4.   Gruttoweide - De grutto (Limosa limosa) is een weidevogel uit de familie strandlopers en snippen (Scolopacidae) van de orde steltloperachtigen (Charadriiformes). De grutto was in de 20ste eeuw een algemene weidevogel, maar gaat sinds de eeuwwisseling door habitatverlies snel achteruit. In 2015 werd de vogel gekozen als nationale vogelsoort van Nederland.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

5.   Karekietweide - Acrocephalus (Karekiet) is een geslacht van vogels uit de familie Acrocephalidae. Het geslacht telt meer dan 40 soorten. De soorten uit het geslacht Acrocephalus zijn kleine, insectenetende trekvogels. Vroeger werd dit geslacht gerekend tot de zangers van de Oude Wereld. In Nederland voorkomende moerasvogels zoals de kleine- en de grote karekiet, rietzanger enbosrietzanger behoren tot dit geslacht.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

6.   Kemphaanweide - De kemphaan (Calidris pugnax) is een vogel uit de familie van snipachtigen (Scolopacidae). De wetenschappelijke naam van de soort werd als Tringa pugnax in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. Deze soort werd lange tijd als Philomachus pugnax in een
eigen monotypisch geslacht geplaatst. Het voedsel bestaat uit insecten en larven. Het is in Nederland een ernstig bedreigde broedvogel die vroeger veel voorkwam in natte weilanden.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

7.   Kievitweide - De kievit (Vanellus vanellus) is een weidevogel uit de familie plevieren (Charadriidae). De naam wordt meestal uitgesproken als kieviet.
De kievit is een zeer talrijke, tot in China broedende, forse weidevogel van ongeveer 28 tot 31 cm groot en heeft een spanwijdte van 67 tot 76 cm. Het gewicht is tussen de 150 en 300 gram.
De rug is recht en in de zomer donkergroen met een paarse en koperen gloed, wat ook voor de bovenkant van de vleugels geldt tot aan het uiteinde met de witte toppen. In de winter is de rug groener met gelige randen aan de veren. De stuit is wit en heeft een zwarte vlek met een witte rand aan het uiteindevan de staart.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980,
College van BenW / 15-06-1982

8.   Kluutweide - De kluut (Recurvirostra avosetta) is een vogel uit de familie van kluten (Recurvirostridae). Overwegend witte verenkleed met scherpe zwarte tekening op de
kruin en nek, de opvallende omhooggebogen, zwarte snavel en de lange blauwgrijze poten maken de Kluut onmiskenbaar. Ook de rug en de vleugels bevatten zwarte strepen. Juvenielen hebben bruinige tekening op bovenzijde. In vlucht steken poten voorbij de staart uit. De lichaamslengte bedraagt 42
tot 45 cm en het gewicht 225 tot 400 gram.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

9.   Kwartelweide - De kwartel (Coturnix coturnix) is een vogel uit de familie der fazanten (Phasianidae) en de enige trekvogel uit de orde der hoendervogels. De kwartel is
een schuwe en gedrongen vogel, ca. 17 centimeter en 100 tot 150 gram, met korte staart en relatief grote vleugels. Hij verbergt zich vaak en vliegt zelden op. Hij is aardekleurig en bruingestreept met een witte oogstreep. Op de rug vormen langere lengtestrepen twee duidelijke banden. Het mannetje heeft een donkerder kop dan het vrouwtje en is iets groter.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

10.   Leeuwerikweide - Leeuweriken (Alaudidae) vormen een familie uit de orde van zangvogels (Passeriformes) en de superfamilie Sylvioidea. De familie kent rond de 100 soorten. Door hun eenvoudig aardekleurig gestreept verenpak, dat bij beide geslachten vaak gelijk is, vallen ze nauwelijks op. Sommige soorten hebben een zwartwitte tekening. Ook hebben ze een kuif van veren, die ze opzetten tijdens de balts en het zingen. Leeuweriken hebben vrij lange
vleugels. De lengte van de familie gaat van klein (11 cm) (zwartkruinvinkleeuwerik) tot middelgroot (19 cm) (kalanderleeuwerik). Sommige leeuweriken lijken veel op gorzen, maar ze hebben dunnere snavels en ze zijn met deze familie niet nauw verwant.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

11.   Lepelaarweide - De lepelaar (Platalea leucorodia) is een vogel uit de familie der ibissen en lepelaars. De lepelaar heeft een lengte van ongeveer 80 tot 93 cm. De lepelaar is onmiddellijk herkenbaar aan de aan het uiteinde spatelvormig verbrede zwarte snavel, die aan de voorzijde geel is. De vogel is helemaal wit. De verlengde kopveren vormen
een bossige kuif.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

12.   Meerkoetweide - De meerkoet (Fulica atra) behoort tot de familie van de rallen, koeten en waterhoentjes (Rallidae) en het geslacht koeten (Fulica). De vogel wordt 32 tot 42 centimeter groot en 585 tot 1100 gram zwaar. De veren zijn geheel zwart, de snavel en voorhoofdsschild
zijn wit en de ogen zijn rood. De meerkoet heeft grote blauwgroene poten met gespreide zwemlobben. Beide geslachten hebben hetzelfde uiterlijk.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980,
College van BenW / 15-06-1982

13.   Meeuwenweide - Meeuwen zijn zeevogels uit de familie Laridae en de orde steltloperachtigen (Charadriiformes). Er zijn 102 soorten benoemd. Het zijn over het algemeen middelgrote tot vrij grote vogels, meestal grijs of wit, vaak met zwarte tekeningen op kop en snavel. Ze hebben een typische schelle, krijsende roep. De snavel is stevig en vrij lang, de poten zijn voorzien van zwemvliezen. De "echte" meeuwen variëren in formaat van de dwergmeeuw (120 g en 29 cm) tot de grote mantelmeeuw (1,75 kg en 76 cm). De sterns worden volgens de IOC World Bird List ook tot deze familie gerekend en vormen daar een onderfamilie of een geslachtengroep. Heel vaak worden de sterns nog opgevoerd als een eigen familie (de Sternidae). Gemiddeld zijn sterns
slanker en kleiner, met een ranke, puntige snavel. De reuzenstern is echter groter dan veel kleine soorten "echte" meeuwen. De dwergstern is kleiner dan de kleinste meeuw.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

14.   Plevierweide - De kieviten en plevieren (Charadriidae) zijn een familie van vogels die onder andere de kievit (met nog 22 soorten kieviten) omvat. Plevieren zijn kleine tot middelgrote vogels die zich meestal ophouden in de buurt van water. De kleinste is de kraagplevier (Charadrius collaris) die gemiddeld 14 cm lang is en maar 26 gram weegt en de grootste is de maskerkievit (Vanellus miles) die gemiddeld 35 cm lang is en 3670 gram weegt. Het zijn allemaal enigszins gedrongen vogels met een korte nek maar met lange, meestal puntige vleugels. Kieviten hebben meestal afgeronde vleugels. De snavel is meestal kort en recht (behalve bij de scheefsnavelplevier, Anarhynchus frontalis) en de staart is ook meestal vrij kort. Er is weinig seksuele dimorfie dat wil zeggen weinig verschil in verenkleed tussen het mannetje en het vrouwtje.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980,College
van BenW / 15-06-1982

15.   Reigerweide - De reigers (Ardeidae) zijn een familie van vogels uit de orde van roeipotigen. De familie telt 67 soorten. De meest voorkomende reigersoort in Nederland en België is de blauwe reiger. Ook de grote zilverreiger, kleine zilverreiger, purperreiger, roerdomp, woudaap en kwak komen in Nederland en België voor; de groene reiger wordt soms als dwaalgast waargenomen.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

16.   Roerdompweide - De roerdomp (Botaurus stellaris) is een reigerachtige vogel (familie Ardeidae) die door zijn perfecte bruine schutkleur in het rietland niet opvalt. Deze vogel is
een uiterst schaarse broedvogel in de Lage Landen. Een vliegende roerdomp trekt zijn nek in naar zijn romp, net zoals de blauwe reiger dat doet. De roerdomp wordt soms ook 'rietreiger' genoemd. Deze 75 cm lange vogel heeft een geelbruin verenkleed met donkere vlekken en strepen en een zwarte kruin, een lange, dikke hals, een groengele snavel en groene poten.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

17.   Snipweide - De strandlopers en snippen (Scolopacidae) zijn een familie van vogels die de snippen (geslachten Scolopax, Coenocorypha, Lymnocryptes, Gallinago en Limnodromus), de ruiters (de geslachten Bartramia, Tringa, Tryngites en Xenus), de wulpen (Numenius), de grutto's (Limosa), de strandlopers (Actitis, Prosobonia, Arenaria, Aphriza, Calidris, Eurynorhynchus en Limicola), de franjepoten (Phalaropus) en de kemphaan (Philomachus) omvat. De familie telt 93 soorten. Vogels uit deze familie broeden bijna allemaal in gematigde gebieden en poolstreken. Samen met andere vogels zoals de kievit, de kluut en de plevieren vormt deze groep de steltlopers.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980,
College van BenW / 15-06-1982

18.   Sternweide - De sterns of sternen zijn een groep van zeevogels, die verwant is aan de steltloperachtigen en schaarbekken en vaak wordt ondergebracht in de familie Sterns
(Sternidae). Over de indeling van de sterns is geen consensus. Soms wordt de groep tot de familie van de meeuwen (Laridae) beschouwd, soms als onderfamilie (Sterninae) of als geslachtengroep
(Sternini). De meeste sterns werden vroeger ingedeeld bij het geslacht Sterna. Analyse van
DNA-sequenties heeft echter geleid tot het opsplitsen van deze groep in fors aantal clades wat resulteerde in een indeling in kleinere geslachten. Sterns komen over de hele wereld voor.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980,
College van BenW / 15-06-1982

19.   Talingweide - Een taling is een eendensoort die diverse kleine eenden omvat. De talingen zijn ingedeeld in het geslacht Anas, dat deel uitmaakt van de onderfamilie Anatinae. Deze maakt deel uit van de familie Anatidae (ook eendachtigen of eenden, ganzen en zwanen genoemd).

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980,
College van BenW / 15-06-1982

20.   Zwanenweide - Zwanen zijn de grootste watervogels uit de onderfamilie Anserinae (zwanen en ganzen). Op een na worden alle soorten in het geslacht Cygnus
ingedeeld. De uitzondering is de coscorobazwaan (Coscoroba coscoroba), die tot het aparte geslacht
Coscoroba wordt gerekend.

College van BenW / 13-03-1980,
Raadsvergadering / 28-05-1980

 Buurt De Velden

Wijknaam thema: landbouw werktuigen

1.   Het Veld - Een open, onbebost, grotendeels vlak stuk land of
onontgonnen land.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984

2.   Eggeveld - Een eg is een land- en tuinbouwwerktuig waarmee
grond zaaiklaar wordt gemaakt.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 27-12-1983

3.   Gaffelveld - Een hooivork, ook wel gaffel/gavel genoemd, is een landbouwwerktuig waarmee zaken als hooi en stro op een eenvoudige wijze handmatig kunnen worden verplaatst. Het gereedschap heeft de vorm van een vork. Een hooivork heeft een lange steel met 2 of 3
scherpe tanden om hooi of stro in de vorm van een los product of als pak/baal te verplaatsen. Een lange steel (soms zelfs meer dan 2 meter) is nodig om de hoeveelheid hooi of stro hoog op een hooiwagen te kunnen werpen. De hooivork lijkt op de mestvork, maar er zijn verschillen. Een mestvork heeft meestal 4 scherpe tanden en een kortere steel, soms met een handgreep.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984

4.   Haarspitveld - Een haarspit is een draagbaar aambeeld voor het haren van een zeis of zicht, in combinatie met een haarhamer.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984

5.   Halsterveld - Een halster is een hulpmiddel om paarden aan de hand mee te leiden en om paarden tijdens de verzorging mee vast te zetten. Een halster kan uit diverse materialen bestaan zoals leer, touw of nylon. Halsters kunnen ook gebruikt worden voor andere huisdieren zoals koeien, schapen en ezels. Het halster moet niet verward worden met een hoofdstel. Een halster heeft geen bit (mondstuk), terwijl een hoofdstel dit meestal wel heeft, waardoor het halster niet gebruikt wordt bij het berijden van paarden.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984

6.   Jukveld - Een juk is een houten balk, met een bepaalde pasvorm, die op de schouder wordt gedragen om een last te verplaatsen. Aan beide uiteindes zit een haak of een inkeping, waaraan een touw of een ketting met een mand of een emmer kan worden bevestigd. Een juk met twee emmers water is in Nederland het traditionele beeld. Jukken worden in Azië nog steeds gebruikt, bijvoorbeeld op het platteland voor de oogst en in de steden voor ambulante handel.
Een juk voor dieren wordt gebruikt om twee trekdieren, zoals twee ossen, paarsgewijs voor een
voertuig zoals een kar of een wagen te spannen. 

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 27-12-1983

7.   Mathaakveld - Een pikhaak, berhaak of mathaak is een landbouwwerktuig dat gebruikt wordt in combinatie met een zicht. Het bestaat uit een dunne, smalle houten steel van ongeveer 60 tot 100 cm met, een licht gebogen (smeed)ijzeren haak van circa 15 tot max. 30 cm loodrecht erop. De steel van de pikhaak is soms voorzien van een gleuf waardoorheen het blad van de zicht kon worden gestoken om zicht en pikhaak gemakkelijk op de schouder te kunnen dragen. Dikwijls eindigde de steel op een punt om de haak in de grond te kunnen steken. Het werd gebruikt door een pikker om graan te maaien in combinatie met de zicht. Het graan werd ermee samengerold. Daarna werd dit graan samengebonden door bindsters met een handje halmen tot een schoof (garf, garve of korenschoof). Deze schoven werden dan te drogen gezet, door meerdere schoven tegen elkaar te plaatsen tot een hok.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984

8.   Ploegveld - De ploeg is een landbouwwerktuig dat in de  akkerbouw wordt gebruikt om de grond, waarin het gewas wordt gezaaid of geplant, te keren, te verkruimelen en proper te maken.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984, College van
BenW / 27-12-1983

9.   Rijfveld - Een hark, raak, rijf, rakel of gritsel (Vlaams) is een stuk tuingereedschap dat gebruikt kan worden om een deel van de tuin dat al grof geëgaliseerd is fijner te egaliseren. Daarnaast kan een bladhark gebruikt worden als een soort bezem om gevallen blad of afgemaaid gras van het gazon te vegen. Ook is er een grashark, die gebruikt wordt bij de winning van gras en hooi.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984

10.   Schepelveld - Schepel (oppervlaktemaat) Het schepel was een oud-Nederlandse

oppervlaktemaat. Een schepel was verdeeld in vier spint. Er gingen 4 schepel in een mud. Het Twentse herenmud mat echter zes schepel. Schepel (inhoudsmaat) Een schepel is een oud-Nederlandse eenheid voor het aangeven van de inhoud van droge waren.
Onder het in 1816 ingevoerde Nederlands metriek stelsel was een schepel gelijk aan 10 liter, maar voor die tijd was de waarde van het schepel per gewest verschillend. Zo kon een schepel 1/4 mud zijn en dat kwam dan overeen met 43,6 liter.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984

11.   Sikkelveld - Een sikkel is een primitief, halvemaanvormig landbouwwerktuig dat dient om gras en graan mee af te snijden. Het is een van de oudste gereedschappen van de mens.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984

12.   Strekelveld - Een zeis of strekel is een landbouwhandwerktuig om  grassen, graan of ruigte te maaien. Het bestaat uit een lang, gebogen, stalen mes dat bevestigd is aan een lange houten of metalen steel met doorgaans twee handvatten. De zeis ontstond in de oudheid uit de sikkel en
verspreidde zich in de middeleeuwen over Europa. In de 18e eeuw werd de zeis het voornaamste werktuig om grassen en granen te maaien. Vanaf de 19e eeuw werd hij vervangen door mechanische werktuigen. De zeis is nog op kleine schaal in gebruik in Europa, Amerika en delen van Azië op plaatsen waar machines niet bij kunnen of als duurzaam alternatief voor machines.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984

13.   Wanveld - Een wan is een platte, gevlochten mand, waarmee na het dorsen het graan omhoog gegooid worden, waarna de wind het lichte kaf wegblaast en de zware graankorrels terugvallen in de wan. Deze bewerking heet wannen. Het wannen met een wan is de oudste methode voor
het scheiden van de graankorrels van het kaf. Tegenwoordig wordt het machinaal in dezelfde
werkgang als het oogsten gedaan met een maaidorser.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984, College van
BenW / 02-10-1984

14.   Zeisveld - Een zeis is een landbouwhandwerktuig om grassen, graan of ruigte te maaien. Het bestaat uit een lang, gebogen, stalen mes dat bevestigd is aan een lange houten of metalen steel met doorgaans twee handvatten.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984

15.   Zichtveld - Een zicht of pik is een landbouwwerktuig voor het maaien van graan dat het midden houdt tussen een zeis en een sikkel. Het is niet duidelijk of de zicht is afgeleid van beide werktuigen, of dat het een eigen ontstaansgeschiedenis heeft. Een zicht en een sikkel worden met één hand  gehanteerd, een zeis met twee handen. De zicht heeft een gebogen, smeedijzeren of stalen blad dat haaks op een korte houten steel bevestigd is. In tegenstelling tot het zeisblad blijft het naar de punt toe breder, om bij het slaan beter in evenwicht te blijven en zo gemakkelijker horizontaal te kunnen kappen.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 26-06-1984

Buurt De Sloten 

Wijknaam thema: waterdieren in en om de sloot

1.   De Sloot - Een sloot is een gegraven watergang die dient om overtollig water af te voeren om wateroverlast te voorkomen, en is breder dan een greppel en smaller dan een gracht. Een sloot is een onderdeel van de waterhuishoudkundige infrastructuur. Het via sloten afgevoerde water wordt elders weggepompt. Het is belangrijk dat de doorstroming van het water onbelemmerd is. Hiervoor worden sloten bij de schouw gecontroleerd. 

Raadsvergadering / 25-01-1983

2.   Aalsloot - De paling, ook wel aal of vollediger Europese aal (Anguilla anguilla), is een straalvinnige vis die behoort tot de familie echte palingen (Anguillidae).De soort is een trekvis. Deze bruin tot grijsachtig gekleurde vis heeft een zeer langwerpig lichaam dat meer dan een meter lang kan worden. Door de karakteristieke lichaamsbouw, lage rugkam en nauwelijks zichtbare schubben is deze gemakkelijk van andere vissen te onderscheiden.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 27-12-1983

3.   Baarssloot - De baars (Perca fluviatilis) is een vis uit de vissenfamilie Echte baarzen (Percidae), die in de Benelux inheems voorkomt. Verwanten van deze soort zijn onder andere de snoekbaars en de pos.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 27-12-1983

4.   Blieksloot - De kolblei, blei of bliek (Blicca bjoerkna) is een zoetwatervis die tot de karperachtigen behoort.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983

5.   Brasemsloot - De brasem (Abramis brama) is een vis die behoort tot de familie van de Cyprinidae. Het is een van de talrijkste vissen van Nederland en door zijn gewicht vaak de belangrijkste vis qua biomassa. De maximale lengte is 90 cm. Een Duitse recordvis uit 2000 was 85 cm lang en woog zeven kg. Het Nederlands record met de hengel gevangen brasem staat volgens de BNRZ (Beet Nederlandse Recordlijst Zoetwatervissen) op 77 cm. Deze vis woog 7280 gram. Normale lengten zitten in het bereik van 40 tot 60 cm en brasems boven de 70 cm komen alleen in specifieke omstandigheden met een lage stand aan brasem voor. 

College van BenW / 26-11-2019

6.   Karpersloot - De Europese karper (Cyprinus carpio), ook wel gewoon karper, is een beenvis uit de orde van karperachtigen. De vis kan tot 120 cm lang worden De karper is herkenbaar aan zijn 4 baarddraden, twee korte op de bovenlip, twee lange in de mondhoeken en de lange rugvin met zeer sterke eerste vinstralen. In de natuur kan hij 30 tot 40 jaar worden.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983

7.   Kikkersloot - Kikkers (Anura) zijn een van de drie groepen van amfibieën, naast de salamanders (Caudata) en de wormsalamanders (Gymnophiona). Kikkers zijn hiervan verreweg de grootste groep; van de ongeveer 7790 soorten amfibieën behoort grofweg 88% tot de kikkers. Er zijn tegenwoordig ruim 6860 verschillende soorten kikkers beschreven. Kikkers hebben een vrijwel wereldwijde verspreiding en leven in sterk uiteenlopende habitats.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983

8.   Meervalsloot - De meervallen (Siluridae) zijn een familie van vissen uit de orde meervalachtigen. De familie wordt ook wel echte meervallen of typische meervallen
genoemd. Er zijn namelijk ook andere families die meervallen worden genoemd, zoals de
pantsermeervallen en de harnasmeervallen. Meervallen zijn middelgrote tot grote soorten;
sommige exemplaren kunnen 3,5 meter bereiken. Een bekende soort is de Europese meerval (Silurus glanis), die in Nederland en België zeldzaam is maar niet meer op de rode lijst staat.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983

9.   Salamandersloot - Salamanders (Caudata) zijn een groep van gewervelde dieren die behoren tot de orde amfibieën. De andere amfibieën behoren tot de kikkers (Anura) en de wormsalamanders (Gymnophiona). Vroeger werd ook wel de naam Urodela gebruikt voor de salamanders, maar deze naam is verouderd. De wetenschappelijke naam Caudata betekent staartdragend, verwijzend naar de relatief lange staart. Ook de verouderde naam Urodela heeft een dergelijke betekenis. De naam salamander is afgeleid uit het Perzische sām - andarūn wat vrij vertaald vuur van binnen betekent.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983

10.   Snoeksloot - De snoek (Esox lucius) is een grote zoetwatervis uit de familie van de snoeken (Esocidae). Het is een van de roofvissen die in België en Nederland voorkomen. De snoek is daarnaast in delen van Europa, Azië en Noord-Amerika te vinden. De snoek is een zoetwatervis en heeft een karakteristieke, torpedoachtige lichaamsbouw. Snoeken kunnen 15 jaar oud worden.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983, College
van BenW / 27-12-1983

11.   Voornsloot - Voorn is een verzamelnaam voor een aantal vissoorten behorende tot de eigenlijke karpers (Cyprinidae). Voorn wijst niet op een apart geslacht, familie of soort, maar is een naam in de volks- en vissersmond gebruikt voor een aantal vissen die gelijkaardige kenmerken hebben. Zo hebben, op de serpeling en de bittervoorn na, de meeste voorns oranje of roodachtige vinnen. Bijna allemaal worden ze best bevist op ofwel half water (tussen oppervlakte en bodem) of aan de oppervlakte. De term voorn komt enkel in het Nederlands voor en kent geen vertalingen.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983

12.   Zeeltsloot - De zeelt (Tinca tinca), ook gekend onder de naam louw, is een vis, die tot de karperachtigen behoort en tot ca 70 cm lang kan worden.

College van BenW / 18-01-1983,
Raadsvergadering / 25-01-1983

Buurt De Bermen

Wijknaam thema: vlindersoorten


1.   De Berm - Een berm is een strook grond langs een weg, die meestal jaarlijks éénmaal of enkele malen wordt gemaaid en die begroeid is met grasachtige en kruidachtige planten. Vaak zijn bermen ook beplant met bomen, we spreken dan van een laan of een alleen (met een dubbele rij bomen aan weerszijden). Ook is de berm soms verhard met behulp van grasbetonblokken.

College van BenW / 12-12-1989,
Raadsvergadering / 19-12-1989, College
van BenW / 02-03-2010

2.   Atalantaberm - De atalanta (Vanessa atalanta) of admiraalvlinder of nummervlinder is een van de meest voorkomende vlinders in België en Nederland. In Noord-Europa is het een van de laatste vlinders die gezien kan worden vooraleer de winter begint. In het zuiden vliegt de vlinder ook op zonnige winterdagen. De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1758 door Carl Linnaeus als Papilio atalanta.

College van BenW / 12-12-1989,
Raadsvergadering / 19-12-1989

3.   Distelvlinderberm - De distelvlinder (Vanessa cardui) is een vlinder uit de onderfamilie Nymphalinae van de familie van de aurelia's (Nymphalidae). In Nederland en België is de distelvlinder vooral bekend als trekvlinder die in sterk wisselende aantallen passeert. Zowel de
Nederlandstalige als de wetenschappelijke naam van deze soort verwijzen naar het geslacht van de distels (Carduus), een van de waardplanten van de distelvlinder.

College van BenW / 12-12-1989,
Raadsvergadering / 19-12-1989

4.   Donsvlinderberm - De donsvlinder (Euproctis similis) is een nachtvlinder uit de familie van de spinneruilen (Erebidae), onderfamilie donsvlinders (Lymantriinae).

College van BenW / 12-12-1989,
Raadsvergadering / 19-12-1989

5.   Tijgervlinderberm - De witte tijgervlinder (Spilosoma lubricipeda),
voorheen tienuursvlinder, behoort tot de spinneruilen (Erebidae), onderfamilie beervlinders (Arctiinae).

College van BenW / 12-12-1989,

Raadsvergadering / 19-12-1989

6.   Vuurvlinderberm - De Lycaenidae zijn een familie van dagvlinders die de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes omvat. Het is een omvangrijke familie waartoe bijna 40% van alle dagvlinders behoort. Vlinders uit de familie Lycaenidae zijn vaak vrij klein, ongeveer 30 tot 40 millimeter in spanwijdte. De grootste soorten zijn maximaal 50 millimeter. Mannetjes hebben
onvolledig ontwikkelde voorpootjes zonder klauwtjes terwijl de voorpootjes van de vrouwtjes wel volledig ontwikkeld zijn. Rupsen van verschillende vlinders uit deze familie –waaronder het gentiaanblauwtje– leven in symbiose met mierensoorten. Ze laten zich meevoeren in het mierennest waar ze gevoed en beschermd worden door de mieren. In ruil scheiden ze een zoete stof af waar de mieren van snoepen. Er zijn ongeveer 6000 soorten kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes die bekend zijn.

College van BenW / 12-12-1989,
Raadsvergadering / 19-12-1989

7.   Zomervlinderberm - De zomervlinder (Geometra papilionaria) is een nachtvlinder uit de familie Geometridae, de spanners. De vlinder heeft een spanwijdte van 44 tot 50 millimeter. De vleugels hebben een fijne, smalle witte zoom. Ze verbleken na verloop van tijd; vlinders van een
week oud zien er al lichter uit. De vlinder komt algemeen voor in Nederland en België. Daarnaast komt de zomervlinder voor in geheel Europa, de Kaukasus, Siberië, oostelijk China en Japan. De vliegtijd is van juni tot en met augustus. De vlinder heeft een voorkeur voor een bosrijke
omgeving.

College van BenW / 12-12-1989,
Raadsvergadering / 19-12-1989

Buurt De Akkers

Wijknaam thema: landdieren in en om de akker

1.   De Akker - Een akker, akkerland of bouwland is een stuk bewerkte grond waarop cultuurgewassen zoals graan of suikerbieten worden verbouwd. Het woord akker is verwant aan het Latijnse "ager". Het Latijnse woord voor landbouwer is "agricola" een samenstelling van "ager(akker) en "colo" (bebouwen/bewerken). Een akker kan begrensd worden door andere percelen akkerland, sloten, wegen of afrasteringen. Afrasteringen kunnen bestaan uit bijvoorbeeld palen met ijzerdraad of prikkeldraad, heggen of houtwallen. In gebieden met intensieve landbouw kan van de akkerrand een faunarand gemaakt worden om insecten en vogels een betere kans te geven om te overleven.

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

2.   Beverakker - De bever (Castor fiber) is een aquatisch knaagdier dat voorkomt in Europa en Noord-Azië. Het is het grootste knaagdier van Europa en een van de grootste knaagdieren ter wereld. De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus.

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

3.   Dassenakker - De dassen vormen een groep van marterachtige roofdieren. Tot deze groep behoren zo'n 10 soorten in 6 geslachten, die meestal in drie onderfamilies worden ingedeeld: de Taxidiinae (met één soort, dezilverdas uit Noord-Amerika), de Melinae (de 8  soorten Euraziatische dassen, waaronder de Europese das) en de Mellivorinae (met één nog levende soort, de honingdas uit Afrika en Zuidwest-Azië). Sommigen plaatsen alle soorten in de onderfamilie Mustelinae, samen met onder andere de echte marters (Martes) en wezelachtigen (Mustela).

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

4.   Edelhertakker - Het edelhert (Cervus elaphus) is een evenhoevig zoogdier uit de familie der hertachtigen. De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. Het edelhert komt voor in West-Europa, in Centraal-Europa, in Groot-Brittannië, op het Iberisch Schiereiland en in het zuiden van Scandinavië. In Europa is het edelhert het op een na grootste hert; alleen de eland (Alces alces) is groter. Het edelhert komt in Nederland voor op de Veluwe, in de Oostvaardersplassen, in het Weerterbos en in Het Groene Woud tussen Tilburg, Eindhoven en ’s-Hertogenbosch. In het wild levende edelherten zijn in België relatief zeldzaam. In Vlaanderen komen ze voor in de regio Voeren, op het Kempens Plateau en in het Belgisch-Nederlandse grenspark Kempen- Broek. In Wallonië is hun verspreiding beperkt tot het zuidelijke en westelijke deel van de Ardennen.

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

5.   Eekhoornakker - De eekhoorn, rode eekhoorn of gewone eekhoorn (Sciurus vulgaris) is een knaagdier uit de familie van de eekhoorns (Sciuridae). De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. Het is de in Europa meest voorkomende eekhoornsoort.

College van BenW / 17-10-1989, Raadsvergadering / 24-10-1989

6.   Egelakker - De egel (Erinaceus europaeus) is een zoogdier uit de familie der egels (Erinaceidae). De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. De egel is vooral bekend om zijn stekelvacht en zijn gewoonte om zich bij gevaar op te rollen.

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

7.   Everzwijnakker - Het wild zwijn (Sus scrofa), everzwijn of kortweg ever, is een zoogdier uit de familie van de varkens (Suidae). De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. Het wild zwijn heeft van de varkens van de Oude Wereld het grootste verspreidingsgebied, en komt in grote delen van Europa, Azië en Noord-Afrika voor. Het isde wilde voorouder van het gedomesticeerde varken.

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

8.   Hamsterakker - De hamster, Europese hamster, veldhamster of zwartbuikhamster (Cricetus cricetus) is een knaagdier uit de familie Cricetidae. De wetenschappelijke naam van de soort werd als Mus cricetus in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. In Nederland is de soort de laatste jaren vooral bekend geworden onder zijn Limburgse naam korenwolf. Hij komt vooral voor in graslanden, velden, steppen en akkers. De soort heeft in Nederland en België een voorkeur voor habitats op lössgrond.

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

9.   Hazenakker - De haas (Lepus europaeus), ook wel Europese haas genoemd om onderscheid te maken met andere hazensoorten, is een zoogdier, dat net als onder andere het konijn tot de orde der haasachtigen (Lagomorpha) behoort. De haas komt algemeen voor op de open gras- en landbouwgebieden van Europa en aangrenzende delen van Azië.

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

10.   Hermelijnakker - De hermelijn (Mustela erminea) is een klein zoogdier uit de familie der marterachtigen (Mustelidae). De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. 

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

11.   Mollenakker - De familie van de mollen (Talpidae) bestaat uit de (onderfamilie Talpinae), ook nog uit de desmans (onderfamilie Desmaninae) en de spitsmuismollen (onderfamilie Uropsilinae). Beide lijken wel wat op spitsmuizen, net als de "echte mollen" Urotrichus, Neurotrichus en Scaptonyx. 

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

12.   Steenmarterakker - De steenmarter of het fluwijn (Martes foina) is een roofdier uit de familie der marterachtigen (Mustelidae). Hij lijkt veel op de boommarter. De steenmarter leeft in een groot gedeelte van Europa, en is steeds vaker ook rond woningen te vinden. Het is een omnivoor met vleesetende inslag. De steenmarter is een opportunist en hij past zich makkelijk aan aan verscheidene omstandigheden.

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

13.   Vossenakker -  Vossen is een verzamelnaam voor een aantal soorten hondachtigen. De meeste soorten behoren tot het geslacht Vulpes. De meest verspreide soort, en de enige die van nature in Nederland en België voorkomt, is de gewone vos, Vulpes vulpes. De valse vossen – hondachtigen in andere geslachten dan  Vulpes – danken hun populaire naam "vos" aan hun
gelijkenis met de gewone vos.

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

14 Wezelakker - De wezel (Mustela nivalis) is een roofdier uit de familie der marterachtigen (Mustelidae). De wezel is het kleinste roofzoogdier ter wereld. Een vrouwtjeswezel weegt slechts 35 gram, lichter dan een veldmuis. In België wordt het dier ook wel muishond genoemd.

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

15.   Woelmuisakker - Woelmuizen (Arvicolinae of soms Microtinae) zijn een onderfamilie van de Cricetidae (hamsters, woelmuizen en muizen en ratten van de Nieuwe Wereld) die voorkomt op het noordelijk halfrond, in het Palearctisch en Nearctisch gebied, in Amerika zuidelijk tot Guatemala, in Azië tot Noord-Myanmar. De onderfamilie kent 144 levende soorten, waarvan er
zo'n 25 in Europa voorkomen.

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

16.   Wolvenakker - De wolf (Canis lupus) is een zoogdier uit de familie hondachtigen (Canidae), die behoort tot de roofdieren (Carnivora). De wolf komt op het noordelijk halfrond voor. Er worden meerdere ondersoorten onderscheiden, waaronder enkele die zijn uitgestorven. De wolf leeft
in groepen met een sociale structuur. De wolf is de voorouder van de hond (Canis lupus
familiaris). Een wolf en een hond kunnen samen vruchtbare nakomelingen voortbrengen, zodat ze, volgens een gangbaar soortbegrip in de biologie, tot dezelfde soort kunnen worden gerekend.

College van BenW / 17-10-1989,
Raadsvergadering / 24-10-1989

Buurt De Gildes
Wijknaam thema: ambachtsberoepen in de middeleeuwen

1.   Het Gilde - Een gilde was in de tijd van het Ancien Régime een belangenorganisatie van personen met hetzelfde beroep. In sommige delen van de Nederlanden sprak men van ambachten. Gilden of ambachten hebben vanaf de middeleeuwen tot eind 18e eeuw bestaan.

Raadsvergadering / 28-06-1983

2.   Bakkersgilde - Bakker of bakkerin is een beroep dat kan onderverdeeld worden in twee grote groepen: 1.Iemand die als beroep brood, koek en dergelijke bakt en verkoopt, een ambachtelijke bakker genaamd. 2.Broodslijter of venter, die niet zelf bakt, in
Nederland een koude bakker genaamd.
Raadsvergadering / 26-01-1982

3.   Barbiersgilde - Een barbier houdt zich bezig met het scheren, knippen en verzorgen van baarden en snorren. Tevens is hij vaak herenkapper. Barbier is een zeer oud beroep dat bij de Egyptenaren al in hoog aanzien stond. De naam is afgeleid van het Latijnse barba dat baard betekent. Vanaf de 14de eeuw begonnen de barbiers zich te verenigen in gildes, een soort beroepsverenigingen.

Raadsvergadering / 26-01-1982

4.   Boekdrukkersgilde - Boekdrukker is iemand in de middeleeuwen die de
boekdrukkunst uitvoerde. Boekdrukkunst is een
mechanisch proces om geschriften te
vermenigvuldigen door middel van een drukpers.
Meer in het bijzonder door middel van het
combineren van verschillende (herbruikbare) delen
een gedrukte tekst (en/of afbeelding) in oplage
produceren.
Raadsvergadering / 26-01-1982

5.   Brouwersgilde - Een brouwer is iemand die alcoholische drank produceert. Raadsvergadering / 26-01-1982

6.   Glazeniersgilde - De term glazenier wordt gebruikt om een kunstenaar aan te duiden die kunstzinnige glasobjecten maakt, die als ruit in een gebouw geplaatst kunnen worden. Glazeniers worden onder meer ingeschakeld voor het ontwerp en de vervaardiging van glas-in-loodruiten of
gebrandschilderd glas voor kerkgebouwen. Een ander
woord voor glazenier is glaskunstenaar, doch deze
term is in kunstenaarskringen veel minder
gebruikelijk, omdat die term veel breder is en ook
wordt gebruikt voor vervaardigers van andere glazen
objecten, zoals vazen en sculpturen.
Raadsvergadering / 26-01-1982

7.   Goudsmedengilde - Een goudsmid is een metaalbewerker die gespecialiseerd is in het vervaardigen van juwelen en andere sier- en kunstvoorwerpen van edele metalen, zoals goud, zilver, platina en palladium. Vaak worden producten van edelsmeedkunst versierd met edelstenen, halfedelstenen en decoratietechnieken zoals emailleren.

Raadsvergadering / 26-01-1982

8.   Klompenmakersgilde - Een klompenmaker is een ambachtsman die klompen vervaardigt. Dit gebeurt door een blok hout te snijden en uit te hollen, totdat de klompvorm wordt verkregen.

Raadsvergadering / 26-01-1982

9.   Koperslagersgilde - Een koperslager is een ambachtsman die platen koper of andere zachte metalen bewerkt. Dit bewerken omvat verschillende bewerkingen, zoals knippen, buigen, solderen en felsen. Een koperslager kan ketels maken en metalen dakbedekkingen produceren en
monteren, maar ook sierlijk bewerkt koperen
keukengerei wordt door koperslagers geproduceerd.

Raadsvergadering / 26-01-1982

10.   Kuipersgilde - In een kuiperij werden door een kuiper vroeger tonnen gemaakt. 

Raadsvergadering / 26-01-1982

11.   Leidekkersgilde Een leidekker is iemand die daken voorziet van leien al of niet met metalen zoals koper.

Raadsvergadering / 26-01-1982

12.   Marskramersgilde - Een marskramer (van het Middelnederlandse merse (koopwaar) en het Middelnederlandse kraemer (koopman) is een verkoper van kleine artikelen, die hij in een rugkorf of mars vervoert en waarmee hij platteland en steden afreist om zijn waar op markten en kermissen en van huis tot huis te verkopen.

Raadsvergadering / 26-01-1982

13.   Odijkseweg - De Odijkseweg maakt onderdeel uit van de middeleeuwse verbindingsweg met het dorp Odijk gelegen in de gemeente Bunnik. Van oorsprong loopt de weg over de Houtense stroomrug tot en met de grens van Odijk in het oosten. In 1983 werd de weg doorsneden door de aanleg van de Rondweg en een fietstunnel die in het tracé van de weg werd aangelegd. De Odijksweg gelegen buiten de Rondweg tot aan de grens met Odijk kreeg een nieuwe de naam Kruisweg. In de 14e en 15de eeuw werd de weg ook wel de Batsweg genoemd. Naar het land de Back of Bats
wat aan weerszijde van wat nu de huidige Kruisweg is.

Het land was in eigendom van het Utrechtse Kapittel Ten Dom. Een back, bak of bats is de benaming voor een laag gelegen stuk land. Bij de grens met Odijk was het land zo laag doordat hier de Rietsloot en Kromme Sloot bij elkaar kwamen ten oosten en westen van de weg. De weg die over de sloot ging liep over de Leege dam, Laage dam, of Herbertsdam zoals geschreven is in de 17de eeuw. Het deel van de Houtenseweg in Odijk loopt over de kade of stroomrug van de Kromme Sloot in Odijk. De weg slingert geleidelijk door het landschap en volgt de contouren van deze kade. Aan de oostkant van de weg loopp het tulud van het landschap naar beneden richting de Rietsloot in Rijsbrug. Ten westen van de Houtenseweg is het landschap lager rondom de komgronden van de Kromme Sloot parallel lopend naast de weg. Al deze sloten zijn restanten van de oude Rijnstromen die ruim 3000 tot 4000 jaar geleden stroomde. De Odijkseweg is in 1935 en 1969/1970 verbreed. Hiervoor werden in jaren 30 strookjes land aangekocht van particulieren om de weg te verbreden door het Waterschap Houten. Eind jaren 60 werden door de gemeente Houten stukken land aangekocht in de omgeving van de Rietsloot en de huidige Kruisweg om het onregelmatig verloop van de weg ten oosten van de Binnenweg en de grens van Odijk in meer geleidlijke lijn te leggen. Per 1 januari 1993 kwam de het huidge Kruisweg wat eerder dus de Odijkseweg was in handen van de provincie Utrecht met deinvoering van de Wet Herveelding Wegenbeheer.

Raadsvergadering / 13-03-1929,

Raadsvergadering / 04-10-1962,
Raadsvergadering / 25-09-1979,
Raadsvergadering / 25-01-1983

14.   Rademakersgilde - Wagenwielmaker

Raadsvergadering / 26-01-1982

15.   Schrijnwerkersgilde - Een meubelmaker, meubelmaakster of schrijnwerker is een vakman of -vrouw die een opleiding meubelmaken heeft gevolgd en in staat is meubelen te vervaardigen. Het beroep wordt gerekend tot de bouwvakken. Een meubelmaker is onder andere in staat om uit
hout afgewerkte meubels te maken. Veel soorten meubels kunnen worden gemaakt door
meubelmakers, stijlmeubels en moderne meubels, tafels, stoelen, kasten, bedden, maar ook keukens,
inbouwkasten en lambriseringen. Vele technieken worden gebruikt zoals houtsnijden, inlegwerk. Vele bewerkings- en afwerkingstechnieken in verschillende materialen, vooral hout, (massief hout
en plaatmaterialen) maar ook metalen en kunststoffen. Het beroep meubelmaker is dan ook
zeer divers. Een van de belangrijkste technieken van de meubelmaker is de houtbewerking.
Personen die de opleiding meubelmaken hebben gevolgd zijn veelal werkzaam voor meubelmakers of meubelfabrieken, maar worden ook vaak gevraagd in de botenindustrie voor het afwerken van nieuw te bouwen luxe boten. Daarnaast zijn meubelmakers te vinden in de orgelbouw.

Raadsvergadering / 26-01-1982

16.   Schuttersgilde - Iemand die schiet met een vuurwapen, pijl-en-boog of
ander wapen.

Raadsvergadering / 26-01-1982 

17.   Smidsgilde - Een smid (meervoud: smeden) is een ambachtsman die van metalen allerlei voorwerpen maakt. Smid was vroeger een veelvoorkomend beroep. Nu is het minder bekend, doordat tegenwoordig steeds vaker de werkzaamheden overgenomen worden door

industriële machines. Vroeger was de smid een belangrijk persoon, omdat dat toen de enige bron van ijzeren voorwerpen was die in de maatschappij nodig zijn.

Raadsvergadering / 26-01-1982

18.   Snijdersgilde - Een kleermaker, kleermaakster, ook wel snijder (verouderd), coupeur of tailleur genoemd, is van oudsher iemand die bovenkleding vervaardigt. Zeker in de moderne tijd echter kan er ook iemand worden bedoeld die alle soorten kledingstukken maakt. Het ambacht van kleermaker is al duizenden jaren oud. Het werd al beoefend ten tijde van de oude Grieken en Romeinen en naar alle waarschijnlijkheid ook al ver daarvoor. Een "meester-kleermaker" heeft
één (of meerdere) leerjongen(s) onder zijn hoede, aan wie hij de kneepjes van het vak leert.
Traditionele kleermakers zaten op een tafel te werken in de zogeheten kleermakerszit, om een schone en vlakke ondergrond om zich heen te hebben en niet op de grond te hoeven zitten.

Raadsvergadering / 26-01-1982

19.   Tappersgilde - Herbergier of barman

Raadsvergadering / 26-01-1982

20.   Timmermansgilde - Een timmerman of timmervrouw is een vakman die
zich meestal beroepsmatig met houtbewerking bezighoudt. In de bouw verricht diegene nieuwbouw en/of onderhoud aan houten vloeren, wanden, dakconstructies, kozijnen, deuren en ramen.
In de meubelmakerij noemt men diegene schrijnwerker (een verouderde term) en maakt diegene maatkasten en keukens. In informele Belgisch-Nederlandse omgangstaal wordt schrijnwerker dikwijls als synoniem gebruikt.

Raadsvergadering / 26-01-1982

21.   Tingietersgilde - Tingieten is het maken van voorwerpen van tin door een gesmolten tinlegering in een mal te gieten. Zodra het tin gestold is kan het uit de mal verwijderd worden. Na afwerken van de gietranden is het voorwerp klaar. Dat tin zo bruikbaar is voor het gieten, komt onder andere door het lage smeltpunt van 505 K, dat wil zeggen 232 °C. Een tinnen voorwerp moet dan ook nooit in de oven gebruikt worden. Het heeft echter ook te lijden van tinpest, een verandering van kristalstructuur tussen de 13 en 16 °C. In een gematigd klimaat wordt deze temperatuurgrens nog al eens gepasseerd, wat vooral effect heeft op tinnen orgelpijpen in weinig verwarmde kerkgebouwen.

Raadsvergadering / 26-01-1982

22.   Weversgilde - Arbeider in een textielfabriek

Raadsvergadering / 26-01-1982

23.   Zadelmakersgilde - Een persoon die zadels maakt.

Raadsvergadering / 26-01-1982