Stichting Houtense Hodoniemen

Onderzoekt straatnamen, boerderijen, onroerend goed en adellijke families in Houten en omgeving

Familie Van Beeck van Calkoen van Rhijnestein

Familiewapen Calkoen (Wikipedia).Familiewapen Calkoen (Wikipedia).

Calkoen (ook: Van Beeck Calkoen) is een Amsterdamse regentenfamilie uit de 17e en 18e eeuw. De Calkoens waren allen lakenververs of kooplieden, zowel op de Levant als op Oost-Indië, maar oefenden ook bestuurlijke functies uit. Ze bleven tot ongeveer 1765 in lakenstoffen handelen. De Calkoens behoren tot de Nederlandse adel en het patriciaat.

Geschiedenis

De families Calkoen en van Beeck Calkoen stammen af van Jan Willemsz. van Dort(h) (ca. 1575-1624).[2] Hij was afkomstig uit het graafschap Zutphen. Jan Willemsz. trouwde te Kleef met de in Deventer geboren Alida Temminck (-1651). Jan Willemsz kwam met een stiefzoon uit het eerste huwelijk van zijn vrouw rond 1600 naar Amsterdam en vestigde zich daar als lakenkoper. Zijn manufactuur lag in de Barber(en)straat, in een pand genaamd De Blauwe Calkoen. Van de huisnaam met een kalkoen in de gevel is de familienaam afgeleid. Het bedrijf was vermoedelijk een voormalig klooster dat bij de Alteratie van Amsterdam in handen van de stad was gekomen en ter beschikking gesteld om de werkgelegenheid te verbeteren.

Jan Willemszoon van Dort(h) werd op 24 mei 1603 tot poorter van de stad Amsterdam ingeschreven onder de naam Jan Willemszoon Calkoen. Hij stierf te Amsterdam 18 sept. 1624. Uit zijn huwelijk met Alida Temminck zes kinderen: Arent (1602-1660), een lakenverver; Willem (1604-1667), een goudsmid; Elisabeth, die trouwde met een goudsmit; Engelbert (1609-1669), een bierbrouwer; de lakenverver Claes (1612-1687)[5], en Isaac (1617-1672) een wijnverlater. Vanwege het feit dat van hun dopen geen registratie is gevonden, een aantal huwelijken plaatsvond voor het gerecht en Aeltje en Aswerus, twee kleinkinderen, zich op volwassen leeftijd lieten dopen in de gereformeerde kerk lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de familie aanvankelijk doopsgezind was.

Geschiedenis Kasteel Rhijnestein

 Naar een tekst van Taco Hermans. Uit het boek Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, onder redactie van B. Olde Meierink, Utrecht, Uitgeverij Matrijs, 1995.

RHIJNESTEIN LIGT IETS TEN OOSTEN VAN DE OUDE dorpskom van Cothen aan de noordzijde van de Kromme Rijn, tegenover de kerk’. De oorspronkelijke woontoren waaruit het kasteel is ontstaan, is gebouwd op een oude, met ijzeroer doortrokken zandplaat en vormt nog steeds de kern van het gebouw. De huidige vorm is het resultaat van twee uitbreidingen in de 19e eeuw.

Gezicht op de voorzijde van het kasteel Rhijnestein te Cothen uit het noordwesten in april 1891. Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer: 5622.Gezicht op de voorzijde van het kasteel Rhijnestein te Cothen uit het noordwesten in april 1891. Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer: 5622.

GESCHIEDENIS
De oudst bekende bezitter van Rhijnestein was ridder Steven van Wijk, in de oorkonden voorkomend van 1248 tot 1268. Bij het woord ‘bezitter’ moeten we overigens niet automatisch denken aan bezitter van de woontoren, omdat geenszins vaststaat dat de toren er rond die tijd al stond. De zoon van Steven, ridder Daem van Bloemenweerde, werd in 1203 vermeld als bezitter van Rhijnestein?. Friederichs is van mening dat Rhijnestein in die tijd nog Bloemenwoerde of Bloemenweerde heette“. Bloemenweerde is echter de naam van het stuk grond, dat wordt ingesloten door een bocht van de Kromme Rijn en de provinciale weg aan de noordwestzijde van
het dorp en waar in de 17de eeuw nog de plaats van een verdwenen kasteel kon worden aangewezen’. Vermoedelijk zijn de heren van Bloemenweerde in het bezit gekomen van Rhijnestein.

De zoon van Daem, Gijsbert, ‘knaap’ van 1348-1361”, verkocht Rhijnestein in 1361. Uit dat jaar dateert ook de oudste vermelding van het kasteel, namelijk van ro juli 136r: ‘dat huus ent hofstede te Rijnensteyne … als ’t gheleghen is in den Rijn tot Coten tusschen den Kerkdijc aen die een side en tusschen Rijchaerd Cloetinx lande an de ander side’. Op genoemde datum werd Margriet van Arkel, vrouwe van der Eem, door Gijsbert van Abcoude met Rhijnestein beleend, na opdracht van
Gijsbert van Bloemenweerde. Laatstgenoemde was hiertoe waarschijnlijk bewogen door bisschop Jan van Arkel (1346-1364), een zoon van Margriet.

Situatie tekening in 1840 van Kasteel Rhijnestein en omgeving, in bezit van familie van Beek-Calcoen. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort, objectnummer: 116.227.Situatie tekening in 1840 van Kasteel Rhijnestein en omgeving, in bezit van familie van Beek-Calcoen. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort, objectnummer: 116.227.

Margriet van Arkel, gehuwd met Gijsbert Both, heer van der Eem, stierf op 23 juni 1368 en liet Rhijnestein na aan haar klein zoon Jan, een bastaard van haar zoon, de bisschop. Na een bele gering in 1396 door bisschop Frederik van Blankenheim kwam het kasteel tijdelijk in handen van Sweder van Vianen, maar op 29 september 1407 werd Daem Taetse, neef van Jan van Arkel, er
door Jacob van Gaasbeek, heer van Abcoude, weer mee beleend Rhijnestein, een leen van de heren van Abcoude van Duurstede volgens Zutphens recht, had geen eigen gerecht maar lag in het gerecht van Cothen.

In opdracht van Daem werd op 2 februari 1416 Herman van Steenren met het kasteel beleend. Zijn zoon Frederik werd vervolgens op 6 juni 1436 met het kasteel beleend en hij droeg het op 28 juni 1440 over aan Daniël van Nyewael, Daniël en zijn vrouw Sibilla van Dymondt bewoonden het kasteel en beplanten stuk land vóór het kasteel met wijnranken, die ‘daer aen sttecken stonden’ en in een gunstig jaar wel ‘vier amen wijns’ konden leveren“. Blijkbaar was Daniël een gunsteling van bischop Rudolf van Diepholt, want deze waarschuwde op 24 september 1448 ‘mit eernsten allen onsen goeden luden ende ondersaten ons gestichts van Utrecht ende bijzonder onse bueren ende ondersaten van Coten’ dat zij toch vooral Daniël zijn goederen ‘rustelike ende vredelike lait(en) besitten’ en geen ‘hynder, krot of moeynisse’ bezorgden's.

Daniël deed in 1473 ten behoeve van zijn zoon Balthazar afstand van het kasteel en op 2 juli van dat jaar werd Balthazar ermee beleend. Daniël en zijn vrouw bleven echter op Rhijnestein wonen en vermoedelijk vestigde Balthazar zich in augustus 1481 op het kasteel. Doordat de zoon van Balthazar, Johan van Nyewael, in 1515 vóór of kort na zijn vader overleed, vererfde het kasteel op zijn, op dat moment overigens nog ongeboren, dochter Johanna van Nyewael. Zij werd op 22 februari 1516 met het kasteel beleend en op 5 juni 152g nogmaals door Karel V. Toen vanaf 1536 de lijst met erkende ridderhofsteden werd opgesteld, was er al een tijd geen heer van Rhijnestein meer vertegenwoordigd in de ridderschap van Utrecht. Dit is misschien de reden waarom
Rhijnestein dan ook niet als zodanig is erkend. Johanna bracht Rhijnestein via een huwelijk met Joriphaes van Hattum in diens familie. In 1567 droegen Johanna en Joriphaes Rhijnestein over aan hun zoon Jan, die er op 2 juni van dat jaar mee werd beleend. Jan wordt op 19 februari 1600 nog vermeld ‘als gevestigd op het huys Duyrstede bij Wijck’ en schijnt Rhijnestein niet te hebben bewoond”. Ook zijn zoon Johan, gehuwd met Maria van Oostrum, heeft het kasteel niet
bewoond, maar woonde vermoedelijk op het huis Wickenburgh, eigendom van zijn schoonvader. In 16o1 droeg Maria, inmiddels weduwe, Rhijnestein over aan haar zoon Jan van Hattum, gehuwd met Maria de Ridder van Walenburg.

Jan werd er op 2 april 1601 mee beleend. Hij verkocht het kasteel echter een gocde maand later wegens een enorme schuld aan de schuldeiser Dirk de Ridder van Groenestein en diens broer Cornelis. Cornelis werd op 16 mei 1601 met het kasteel beleend. Dirk en Cornelis en hun nazaten schijnen Rhijnestein in gemeenschappelijk bezit te hebben gehouden tot begin 1640.
Vermoedelijk heeft noch Dirk noch Cornelis het kasteel bewoond. Vanaf 2 februari 1609 was het kasteel verhuurd aan Adriaan van Schayck en vanaf 27 februari 1612 aan Francois Deckers voor een periode van zes jaar. Na de dood van Dirk en Cornelis en hun beider echtgenoten gingen de rechten over op de dochter van Cornelis, Anne Cathrijne. Ook zij heeft het kasteel vermoedelijk niet bewoond, want vanaf 15 september 1630 was het verhuurd aan Uldrich van Cleef en vanaf februari 1638 aan jhr. Godert de Coninck. In 1640 schijnt een boedelscheiding te hebben plaatsgevonden.
Rhijnestein is daarbij toebedeeld aan een zoon van Dirk, Cornelis genaamd. Na zijn dood vererfde het kasteel op zijn broer Daniël en deze werd er op 14 december 1647 mee beleend. Daniël schijnt het kasteel alleen ’s zomers voor kortere of langere tijd te hebben bewoond. Hij liet het kasteel in 1680 na aan zijn zoon Dirk Jan.

Gezicht op kasteel Rhijnestein in 1920. Bron: Regionaal Archhief Zuid-Utrecht (RAZU), 236, 6637, 24.Gezicht op kasteel Rhijnestein in 1920. Bron: Regionaal Archhief Zuid-Utrecht (RAZU), 236, 6637, 24.

Na de dood van Dirk Jan vererfde Rhijnestein op zijn dochter Marie, gehuwd met Jan Barthold van Hövel. Marie verkocht het kasteel in 1734 aan Gerard van Neck en deze op zijn beurt in 1736 aan IJsbrand Georgesz. Bruyn. Zijn weduwe Sybilla Helena Severijn erfde het kasteel in 1746. Op 18 november 1762 verkocht zij Rhijnestein aan Arend van Lelieveld uit Amsterdam, die in
mel 1775 ‘de heerenhuizinge en hofstede genaamd Rynestein met deszelfs visscherij, zwanendrift en duivenvlucht, de Rynesteinse bank en grafkelder in Cothens oude kerk, benevens alle daar toebehoorende landerijen, groot te zamen omtrent 26 morgen’ voor f 25.000,- verkocht aan Gerard Weenink uit Rhenen. Bij deze laatste koop werd bepaald dat het kasteel met de tuin tot september ter beschikking moesten blijven van de voormalige eigenaar. Op 26 augustus 1775 verscheen Gerard ‘ter leenkamer om er zijn Gaasbeekse leen te verheffen’ en dit was tevens de laatste keer dat dit gebeurde, want in 1798 bij de  Staatsregeling van de Bataafsche Republiek werd het leenstelsel afgeschaft.

De weduwe van Weenink verkocht het kasteel in 1827 aan Isabella Antonia Lueretia van Westrenen, weduwe van dr. Jan Frederik van Beeck Calkoen, die er overigens nooit heeft gewoond. Zij bewoonde het landhuis Stenisweerd ten oosten van Cothen. In 1846 vererfde Rhijnestein op haar zoon Willem Jabes van Beeck Calkoen. Diens zoon Willem Arnoud trouwde in 1872 en ging op Rhijnestein wonen. Ten behoeve van deze bewoning is het kasteel hersteld en met een woonvleugel uitge-
breid. Na de dood van Willem Arnoud vererfde het kasteel op zijn zoon Willem Frederik. Deze overleed in 1960 en sindsdien zijn zijn twee dochters eigenaar van het kasteel. Eén van hen, mevrouw F.E. van Lidth de Jeude-van Beeck Calkoen, bewoont met haar echtgenoot het huis.

BOUWGESCIHIEDENIS
Het tegenwoordige huis Rhijnestein is in de vorige eeuw ontstaan door een verbouwing en uitbreiding van een middeleeuwse woontoren, die op 18de-eeuwse tekeningen van Jan de Beijer wordt weergegeven als staand op een omgracht iets verhoogd vierkant eiland.

De toren heeft een buitenmaat van 8,5 x 8,5 m en een hoogte tot de weergang van 14,6 m. De muurdikte verloopt van 1,7 ter plaatse van de fundering, via 1,3 op de begane grond en de verdieping naar 1,15 m op de tweede verdieping. De gebruikte baksteen meet 30 X 14 X 8,5 cm aan de voorzijde en 30 X 14. X 7,5 cm aan de achterzijde boven. De toren telt boven een kelder drie
bouwlagen plus een zolder en wordt afgesloten met een vierzijdig tentdak. De toren zou zijn gefundeerd op tonnen zonder bodem, die in het zand zijn geslagen, uitgegraven en volgestort met cement vermengd met ‘schulpkalk’.

De kelder is overkluisd met een tongewelf. De huidige toegang is later aangebracht en bevindt zich in de oostwand. In de westen zuidwand bevindt zich een niet-oorspronkelijk venster en in de westwand links naast het venster een kaarsnis. In de noordoosthoek zijn zowel in de vloer als in het gewelf sporen aangetroffen, die corresponderen met een halfronde nis in de  noordwand op de begane grond en die doen vermoeden dat we hier te maken hebben met een buiten gebruik gestelde waterput.

Gezicht op kasteel Rhijnestein in 1920. Bron: Regionaal Archhief Zuid-Utrecht (RAZU), 236, 6636, 24.Gezicht op kasteel Rhijnestein in 1920. Bron: Regionaal Archhief Zuid-Utrecht (RAZU), 236, 6636, 24.

Ongeveer in het midden van de noordwand zijn de restanten van een stenen spiltrap met houten spil aangetroffen. Op de begane grond kwam deze trap ongeveer boven op de plaats waar zich de huidige toegang bevindt: de vloer herbergt een luik en daaronder is de trapopening gedeeltelijk te zien. Een ander deel van de trapopgang bevindt zich rechts naast de toegang in de muur. Aangenomen wordt dat de oorspronkelijke toegang tot de toren zich op de begane grond in de noordwand bevond, zoals ook nog te zien is op 18de-eeuwse afbeeldingen. Wanneer we aannemen dat de oorspronkelijke toegang zich hier inderdaad heeft bevonden en dat, wat gebruikelijk is bij de woontorens in deze

omgeving, er in oorsprong geen directe verbinding was tussen kelder en begane grond, moeten we concluderen dat de toegang bij het maken van de spiltrap is dichtgezet en op een later tijdstip weer is opengehakt, waarbij de trap buiten gebruik is gesteld.

Hoe de verbinding met de overige verdiepingen plaatsvond is niet duidelijk. Gesuggereerd wordt dat de oostmuur mogelijk muurtrappen heeft bevat, omdat zich hier thans een groot aantal kisten bevindt. Een muurdikte van ca. 1,3 m laat echter nauwelijks ruimte voor trappen, zodat het waarschijnlijker is dat er in houten of gemetselde trappen tegen de muren hebben bevonden.

De westwand bevat op de begane grond en de eerste verdieping een stookplaats. De eerste en tweede verdieping bevatten in de noordwest- en noordoosthoek naar buiten toe in hoogte afnemende schietspleten, die het poortgebouw bestrijken. Afgaande op openingen aan de buitenzijde zijn er vroeger meer geweest. Vn de constructie van de vloeren is alleen die van de zoldervloer
waarneembaar. Het betreft hier een enkelvoudige balklaag, gesteund door een onderslagbalk en strijkbalken, de laatste rustend op consoles. De kap bevat eiken spanten, mogelijk nog
diterend uit de 16de eeuw, waarin zich telmerken bevinden, die met een vlakke en een gebogen beitel zijn gehakt. Het hout bevat echter ook oudere telmerken, wat duidt op hergebruik. Het overige deel van de kap, uitgevoerd in grenen, zou uit de 17de eeuw kunnen dateren. De woontoren werd in de 18de en 1gde eeuw gebruikt als opslagplaats.

In 1858 is de woontoren gerenoveerd en is de ophaalbrug aan de noordzijde van de toren vervangen door een dam. Bij de renovatie van de toren werden onder meer vloeren en vensters vervangen en werd het dak gedekt met pannen.

In de jaren 1873/74 is ten behoeve van Willem Arnoud van Beeck Calkoen tegen de noordzijde van de toren een nieuwe woning aangebouwd en hierbij zijn de grachten, die in directe verbinding stonden met de Kromme Rijn, geheel verdwenen. De woning werd gefundeerd op beton met een dikte van één meter. Het interieur van de toren werd bij deze verbouwing gewijzigd en er werden onder meer stucplafonds aangebracht. De vensters werden vergroot.

In 1879 werd de toren opnieuw gerenoveerd en werd, evenals in 1858, nogal wat metselwerk aan de buitenzijde vervangen door een kleinere baksteen. Het dak werd vernieuwd en nu gedekt met leien in Rijndekking. De oorspronkelijke kantelen werden vervangen door kleinere op een spitsboogfries en met hardsteen afgewerkt. Onderdeel van deze renovatie was ook een ingrijpend

herstel van de funderingen. In 1867/68 was de Kromme Rijn gekanaliseerd, waarna de rivierbodem twee meter lager was komen te liggen. De toren dreigde te verzakken door de verlaging van de grondwaterstand. Op een diepte van 1,4 m werd een nieuwe zware fundering aangebracht.

In 1887 is aan de noordzijde van de woning (ten behoeve van de symmetrie) een tweede toren gebouwd, eveneens gefundeerd op één meter dikke betonnen fundamenten.

Kasteel Rhijnestein vanuit het zuidoosten gezien langs de Kromme Rijn in 1995 bij Cothen. Foto: Provincie Utrecht, Henk Bol.Kasteel Rhijnestein vanuit het zuidoosten gezien langs de Kromme Rijn in 1995 bij Cothen. Foto: Provincie Utrecht, Henk Bol.

OMGEVING
Het kasteelterrein was en is nog steeds bereikbaar via een poort gebouw. De onderbouw van dit poortgebouw is opgetrokken uit een baksteen met een formaat van 30 X 14. X 7 cm. 
Dit formaat komt nagenoeg overeen met de baksteenmaat van de woontoren. 
Dit gevoegd bij het feit dat de noordwesthoek een overhoeks geplaatst schietgat bevat, 
doet veronderstellen dat tenminste de onderbouw van het poortgebouw uit dezelfde bouwtijd dateert als de woontoren. De poorttoren is in oorsprong gebouwd als vrijstaand gebouw, getuige de, deels verdwenen, steunberen tegen voor- en zijgevels. Er moet nog een tweede voorpoort zijn geweest, waarvan de fundamenten ‘op de kerksteeg’ nog aanwezig zijn”. Volgens Canneman zouden zowel poortgebouw als woontoren omstreeks 1300 gebouwd zijn. Het formaat van de gebruikte baksteen is daarmee in overeenstemming. Moeilijk is deze datering in verband te brengen met het
feit dat het kasteel door Jan van Arkel kort voor of in 1396 aanmerkelijk zou zijn versterkt en in hetzelfde jaar door de Utrechters, in opdracht van bisschop Frederik van Blankenheim, met ‘donderbussen, donderkruit en blijden’ zou zijn verwoest. In welke mate het kasteel is verwoest, is niet duidelijk. Sweder van Vianen zou het vervolgens voor een deel hebben herbouwd.

De bebouwing schijnt in de 14e eeuw groter te zijn geweest en de toren zou door een voorplein gescheiden zijn geweest van een woonhuis, waarvan de fundamenten in het begin van deze eeuw zijn ontgraven. Het ging om een fundering op ‘zware beuken platen’ van bakstenen met een maat van 32 à 33 X 21 X 12 cm. Het metselwerk was versterkt met ‘hoekstukken van hardsteen en
Bentemersteen. Mogelijk betreft dit een voorganger van het in de 17e eeuw op de voorburcht gebouwde tweebeukige huis met zadeldaken die eindigden tegen trapgevels, zoals wordt weergegeven op de tekeningen van Jan de Beijer en Cornelis Pronk.  De aanwezige inrijpoort wijst erop dat het deels ook functioneerde als stal of koetshuis. In 1810 is dit gebouw gesloopt, waarna het koetshuis, dat vóór die tijd tegen het poortgebouw was aangebouwd, tot drie woningen is omgebouwd.

Over de oorspronkelijke tuinaanleg is weinig bekend. Over de tuinaanleg in de 18e eeuw kunnen we ons aan de hand van de tekening van Jan de Beijer geen goed beeld vormen. Pas rond 1900 raakte de tuinaanleg bij de eigenaren in de belangstelling en werd langs de Kromme Rijn de zogenaamde ‘Boulevard’ in geometrische stijl aangelegd.

Kasteel Rhijnestein en zijn (vroegere) bewoners:

1.   1248 - 1268 Steven van Wijk
2.   1303 - ... Daem van Bloemenweerde (zoon)
3.   ... - 1361 Gijsbert van Bloemenweerde (zoon)
4.   1361 - 1368 Margaretha van Arkel (koop), getrouwd met Gijsbert Both
5.   1368 - 1396 Jan van Rijnensteine (kleinzoon)
6.   1396 - 1407 Sweder van Vianen (belening)
7.   1407 - 1416 Daem Taetse (neef van Jan van Arkel)
8.   1416 - 1436 Herman van Steenren
9.   1436 - 1440 Frederik van Steenre (zoon)
10.   1440 - 1473 Daniël van Nyewael, getrouwd met Sibilla van Dymondt
11.   1473 - 1515 Balthasar van Nyewael (zoon)
12.   1515 Johan van Nyewael (zoon)
13.   1516/1529 - 1567 Johanna van Nyewael (dochter), getrouwd met Joriphaes van Hattum
14.   1567 - 1592 Jan van Hattum (zoon), getrouwd met Maria van Oostrum
15.   1592 - 1601 Maria van Oostrum (weduwe)
16.   1601 Jan van Hattum (zoon), getrouwd met Maria de Ridder van Walenburg
17.   1601 Dirk en Cornelis de Ridder van Groenestein (koop)
18.   ca 1630 - 1640 Anne Cathrijne de Ridder van Groenestein (dochter van Cornelis)
19.   1640 - 1647 Cornelis de Ridder van Groenestein (zoon van Dirk)
20.   1647 - 1680 Daniel de Ridder van Groenestein (broer)
21.   1680 - 1719 (?) Diederik Jan Albert de Ridder van Groenestein (zoon)
22.   1719 - 1734 Maria Isabella Antonia de Ridder van Groenestein (dochter), getrouwd met Johan 23.   Barthold van Hövel van Andelst
24.   1734 - 1736 Gerard van Neck (koop)
25.   1736 - 1746 IJsbrand Georges Bruyn (koop), getrouwd met Sybilla Helena Severijn
26.   1746 - 1764 Sybilla Helena Severijn (weduwe)
27.   1764 - 1775 Arend Lelieveld (koop)
28.   1775 - 1827 Gerard Weenink (koop)
29.   1827 - 1846 Isabella van Westreenen (koop), weduwe van Prof. dr. Jan Frederik van Beeck                                           Calkoen
30.   1846 - 1895 Willem Jabes van Beeck Calkoen (zoon), getrouwd met Suzanna Elisabeth Sluijmer                                 's Graeuwen
31.   1895 - 1925 Willernoud van Beeck Calkoen (zoon), getrouwd met Sara Johanna Grothe
32.   1925 - 1980 Wilhelmus Frederik van Beeck Calkoen (zoon), getrouwd met Françoise Elizabeth                                   Wttewaall
33.   1984 - 2014 Françoise Elizabeth van Beeck Calkoen (dochter) en Jhr. Ir. Johan Lambert van                                         Lidth de Jeude
34.   2019 - heden Jkvr. drs. Frédérique van Lidth de Jeude (dochter) en Jhr. mr. Andreas Reigersman

Bron: KasteleninUtrecht.eu.