Stichting Houtense Hodoniemen

Onderzoekt straatnamen, boerderijen, onroerend goed en adellijke families in Houten en omgeving

Straatnamenlijst Houten Zuidoost

(wijzigingen voorbehouden er kunnen geen rechten aan deze lijst ontleend worden)

Gebruik Ctrl + F voor het zoeken naar je straatnaam.

Buurt De Sporen 

Buurtnaam thema: verschillende soorten sporen en treinmaatschappijen


De Sporen geportretteerd op maandag 24 juli 2006, door Sander van Scherpenzeel.


1.   Het Spoor - Een spoorweg, spoorbaan of spoorlijn is een weg, bestaande uit een of meer sporen. Een spoor bestaat uit twee evenwijdige stalen staven, spoorstaaf of rail geheten. Deze zijn vastgezet op dwarsliggers, ook bielzen genoemd, die meestal van hout of beton zijn gemaakt.

Ook metalen dwarsliggers komen wel voor. De afstand tussen de beide binnenzijden van de koppen van de spoorstaven wordt spoorwijdte genoemd. Deze bedraagt doorgaans 1435 mm (normaalspoor), maar ook andere spoorwijdten worden gebruikt.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 17 februari 1998 en 21 september  1998.


 







 







2.   Buurtspoor - Het Buurtstation in Utrecht werd geopend op 1 mei 1904 door de Nederlandsche Centraal-Spoorweg-Maatschappij vanwege ruimtegebrek op het bestaande NRS-station (het latere Centraal Station).

Het station dankte zijn naam aan het feit dat het het beginpunt was van de buurtspoorwegen die bij Bilthoven en Den Dolder van de Centraalspoorweg aftakten naar respectievelijk Zeist en Baarn.

Het was een kopstation dat van het NRS-station werd gescheiden door de Leidse Rijn, en was vanaf het stationsplein bereikbaar over een loopbrug. Na de verbouwing van het NRS-station in 1936 had dat meer capaciteit, hiermee werd het Buurtstation overbodig, en het werd in 1937 gesloten.



Met de bouw van de Leidseveertunnel, die werd voltooid in 1940, konden de buurtsporen worden doorgetrokken naar het Centraal Station en werden daar vier kopsporen aangelegd direct naast het stationsgebouw.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 23 maart 1999. 

 

 



3.   Centraalspoor - Centraalspoor een spoor dat zeer belangrijk is. Centraalspoor een spoor die in het midden ligt tussen andere sporen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 23 maart 1999. 


4.   Grensspoor - Spoorweg langs een grens. In dit geval van de buurt De Sporen aan de Staatslijn H van Utrecht naar 's-Hertogenbosch.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 3
juli 2012.


5.   Hofspoor - Hof in vroegste zin een omheinde plek, later uitgegroeid tot een veel breder begrip.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
oktober 2002.


6.   Hollandsspoor - Station Den Haag HS (Station Hollands Spoor) is het oudste station van Den Haag. Het werd geopend in 1843 toen de Oude Lijn (de oudste spoorlijn van Nederland) vanuit Amsterdam van Leiden naar Den Haag werd doorgetrokken.

In 1847 werd de lijn verlengd naar Rotterdam. De naam van het station is ontleend aan de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 23 maart 1999. 


 

 









 

 


7.   Koningsspoor - Willem Frederik Prins van Oranje-Nassau (Den Haag, 24 augustus 1772 - Berlijn, 12 december 1843), was de eerste Koning der Nederlanden uit het huis Oranje-Nassau.

In Nederland reed op 20 september 1839 de eerste trein tussen Amsterdam en Haarlem. Het was een initiatief van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM).

De locomotief De Arend vertrok die dag om precies 13:30 uur vanuit station d'Eenhonderd Roe aan de rand van Amsterdam met een sleep van negen rijtuigen.


Ook stoomlocomotief De Snelheid reed mee voor het geval dat een van de twee locomotieven uit zou  vallen. Na een klein half uur arriveerde de colonne onder muzikale 
begeleiding en een groot aantal genodigden in Haarlem.

Het afgelegde traject bedroeg 16 kilometer. De rit was zeer succesvol en de machinisten, stokers en conducteurs werden beloond met een bonus ter hoogte van een half weekloon. Vier dagen later werd de lijn voor het 
publiek opengesteld.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.





8.   Lokaalspoor - Een Lokaalspoorweg, volgens de wet in de verouderde spelling locaalspoorweg, is een Nederlandse spoorweg waaraan minder hoge technische eisen worden gesteld.


In 1878 werd het dankzij de Wet omtrent regeling van de dienst op Locaalspoorwegen mogelijk om ook spoorwegen te kunnen aanleggen waaraan minder hoge eisen worden gesteld op het gebied van beveiliging (spoorwegovergangen hoefden niet bemand te zijn) en maximale aslast.

De maximumsnelheid op een locaalspoorweg is wel lager, maximaal 30 km per uur. Door de lagere eisen was de aanleg goedkoper, zodat de locaalspoorweg een nieuwe spoorcategorie werd tussen de bestaande categorieën hoofdspoorweg en tramweg in.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 23 maart 1999. 


 



9.   Mijnspoor - Een Mijn is de plaats waar ertsen of andere delfstoffen in vaste vorm als steenkool, diamant en bruinkool worden opgegraven om daarna verder verwerkt te worden.

Meestal is een mijn volledig ondergronds (schachtbouw): hier verbinden verticale schachten die de liften bevatten de horizontale gangenstelsels. Meestal worden alleen de lagen weggegraven die de delfstof bevatten. Als de delfstof vlak aan de oppervlakte zit wordt deze in open mijnen (dagbouw) afgegraven.



Dit is gebruikelijk bij bruinkool of sommige diamantmijnen in Afrika. Hier wordt eerst de toplaag weggegraven totdat de lagen met de delfstof blootliggen. Vervolgens wordt deze met enorme baggermachines of ander graafmaterieel afgegraven en afgevoerd.

Meestal beslaat een mijn die al jaren geëxploiteerd wordt een enorme oppervlakte. Ondergrondse mijnen kunnen zelfs vele tientallen kilometers aan gangen bevatten, soms eveneens op kilometers diepte.


Dagbouwmijnen kunnen zo groot zijn dat er hele dorpen in passen. Dikwijls moeten die zelfs wijken voor de voortschrijdende dagbouw in bruinkoolmijnen.
Mijnspoor een spoor in een mijn voor het afvoeren van delfstoffen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 23 maart 1999. 






10.   Modelspoor - Een modeltrein is een schaalmodel van een trein en de bouw ervan is derhalve een vorm van modelbouw. 

Het bouwen van modellen van spoormaterieel en spoorwegen is in de loop van de negentiende eeuw ontstaan en werd in de decennia na de Tweede Wereldoorlog een populaire hobby onder mannen en kinderen, die meestal binnenshuis plaatsvond.

Het bouwen van treinmodellen en spoorbanen werd steeds geavanceerder en omvattender, resulterend in complete nagebootste modellandschappen en modelsteden, die computermatig bestuurd kunnen worden. Er zijn verschillende schalen, typen en merken ontwikkeld.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 3
juli 2012.


11.   Rijnspoor - De Rhijnspoorweg is de eerste spoorlijn die is aangelegd door de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij. De lijn is met enige wijzigingen nog steeds in gebruik; het traject Amsterdam – Utrecht – Arnhem is een belangrijke schakel in het Nederlandse intercitynet.

De spoorlijn liep van het Amsterdamse Weesperpoortstation via Utrecht naar Arnhem. Het gedeelte tussen Amsterdam en Utrecht is geopend in december 1843. In juni 1844 werd de lijn verlengd tot Driebergen, in maart 1845 tot Veenendaal en in mei 1845 werd de rest van de lijn naar Arnhem in gebruik genomen. 

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 23 maart 1999. 






12.   Smalspoor - Smalspoor is een spoorweg met een spoorwijdte die kleiner is dan 1435 mm (normaalspoor).

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 24 augustus 1999.


13.   Staatsspoor - De Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (MESS of MtEvSS), kortweg Staatsspoorwegen (SS) was een particulier bedrijf dat op 26 september 1863 in Den Haag werd opgericht om de spoorlijnen te exploiteren die door de Staat der Nederlanden (SN) werden aangelegd. SS was vanaf 1868 gevestigd te Utrecht in het gebouw dat nu bekend is als HGB I van NS.

De Staat begon namelijk spoorwegen aan te leggen, omdat de ontwikkeling van het spoorwegnet in Nederland achterliep op de rest van Europa, zie Staatsaanleg van spoorwegen in Nederland. Aanleg door de Staat betekende echter niet exploitatie door de Staat, en hiervoor werd deze maatschappij opgericht. 

SS had niet altijd het monopolie op de staatsspoorwegen. De overheid besliste per lijn welke maatschappij concessie kreeg voor de exploitatie.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 23 maart 1999. 


 



 


14.   Zuiderspoor - Het Zuiderspoor, in de volksmond ook Schaddenspoor, is de Nederlandse benaming voor de grensoverschrijdende spoorlijn tussen Enschede en Ahaus.

De spoorlijn werd in 1903 geopend door de Ahaus-Enscheder Eisenbahn. De lijn is aangelegd door Twentse textielfabrikanten om de transportkosten van de kolen uit het Ruhrgebied te verlagen.

De kolen werd voor een vaste prijs tot aan de Duitse grens geleverd. Voor het transport vanaf Gronau moest voor het Nederlandse deel van het traject worden bijbetaald. Met een eigen spoorlijn vanuit Duitsland had men de transportkosten in eigen hand.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.


 

 

In 1996 werden voor het zuidoostelijke kwadrant van Houten diverse wijknamen vastgesteld.

Voor bouwprojecten in de buurt De Sporen, De Landen en De Tuinen werd voor de wijknaam Loerik gekozen. Deze naam werd al in de achtste en negende eeuw gebruikt voor het land en buurtschap, ooit gelegen in de binnenbocht van de Binnentuin (Binnenweg).

De naam Loerik betekend 'Land toebehorend aan persoon Lorius'. Deze persoon Lorius zal vermoedelijk de meijer of drost van het buurtschap uit de achtste- en negende eeuw zijn geweest.

Bij herziening van de wijkindelingen en buurten in 2011 in opdracht van het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft de gemeente Houten de wijknamen die eerder waren vastgesteld bij collegebesluit van burgemeester en wethouders op dinsdag 13 maart 2012 ingetrokken.

Na deze dag werd de wijknaam Loerik niet meer gebruikt in de administratie.

Na dit besluit werd De Sporen een buurt van de wijk Houten Zuidoost.


 


 Buurt De Landen

Buurtnaam thema: standen en beroepen in de middeleeuwen

De Landen geportretteerd op donderdag 27 juli 2006, door Sander van Scherpenzeel.

1.   Het Land - Een land is een geografische regio. Een land kan zowel het grondgebied van een soevereine staat, als van een niet-soevereine regio, of natie met een eigen cultuur en tradities zijn.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 17 maart 2020 




 



2.   Geuzenland - De geuzen waren aanvankelijk Nederlandse edelen, tegenstanders van de Spaanse koning Filips II. Later verwees de term specifiek naar de strijders die te land (bosgeuzen, soms ook wilde geuzen) of te water (watergeuzen) de Spanjaarden bevochten.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.


3.   Gewestenland - Een regio of landstreek.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.


4.   Hagepreekland - Een hagenpreek is een predicatie in het open veld in de eerste tijd van de Reformatie. Het woord werd voor het eerst gebruikt in 1619.

Deze werden in de Nederlanden veel gehouden door calvinisten vanaf 1562, omdat openlijke geloofsuitoefening hen verboden was.

Nabij de duinen van Dishoek op Walcheren vond in 1566 de eerste hagenpreek van Zeeland plaats. In hetzelfde jaar werd in het dorp Zemst eveneens een hagenpreek gehouden. Vandaar bedreigden de protestanten de katholieke status quo in zowel Mechelen,

Vilvoorde als Brussel. De Lutheranen hielden in de 16de eeuw onder andere op het Kiel bij Antwerpen hagenpreken.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.


 


5.   Horigenland - Horigheid beschrijft een maatschappelijke toestand. In de middeleeuwen, en ook daarvoor en daarna, waren horigen boeren of 'cijnsboeren' die aan hun land verbonden waren, zonder dit te bezitten, en met bepaalde verplichtingen aan de landbezitter. 

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.


6.   Kruisvaardersland - De bekendste kruistochten of kruisvaarten zijn de religieus geïnspireerde militaire ondernemingen die westerse christenen tussen 1096 en 1271 ondernamen voor verovering en behoud van christelijke heilige plaatsen in Palestina.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.





7.   Molenland - Een molen is een werktuig met uiteenlopende functies. Hij kan 
dienen tot het vervaardigen van meel, olie, verf enzovoorts, het zagen 
van hout tot het oppompen van water.

Voor het jaar 1997 heten het Molenland vele eeuwen het Molendijkje, Dwarsweg of Vliersteeg een naam die in de 19 eeuw opduikt. Vanaf 4 oktober 1962 werd de naam Molendijk.

Per 15 april 1997 was het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten van plan op de Molendijk de naam Schuilkerkland te geven. Maar hier kwam binnen de bevolking en raadsoppositie veel weerstand tegen.

Per 12 augustus 1997 werd daarom de naam binnen het Houtense straatnaamgedachten goed gewijzigd in Molenland. De weg maakte vanaf die tijd onderdeel uit van de buurt De Landen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.


8.   Patriottenland - Patriotten waren burgers in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden die aan het einde van de 18e eeuw democratisering wilden stimuleren en aan het absolutisme van een falende stadhouder Willem V, prins van Oranje-Nassau, een halt wilden toeroepen. Zij eisten hervormingen in het bestuur, begonnen zich te wapenen en drongen in de loop der jaren in steeds meer steden onder meer aan tot een democratische verkiezing van de vroedschap, het stadsbestuur.

In 1786 en 1787 escaleerde het conflict tussen de patriotten en prinsgezinden of Orangisten (aanhangers van de stadhouder-prins van Oranje) zodanig dat er gevechten uitbraken en er een korte burgeroorlog woedde. Een Pruisische inval in september - oktober 1787 bewerkstelligde vervolgens de Oranjerestauratie, waarna het stadhouderlijk stelsel nog zeven jaar kon worden voortgezet.

Duizenden patriotten vluchtten naar Frankrijk en kwamen pas terug na de succesvolle revolutionaire Franse veldtocht in de Nederlanden (1792–1795), waar sommigen aan deelnamen in het Bataafs Legioen. De jaren 1780–1787 waarin de patriotten de Nederlandse politiek domineerden wordt wel de Patriottentijd genoemd.

De term patriotten wordt ook wel gebruikt voor verwante bewegingen in andere landen, zie 'Patriotten elders'.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.


 

 


9.   Regentenland - Regenten waren de bestuurders van de Nederlandse steden in de 17e eeuw en de 18e eeuw. De macht was daar in handen van regentenfamilies, die vaak elkaar de bal toespeelden.

De burgemeesters van Amsterdam bijvoorbeeld, die elkaar benoemden, maar ook de staten en Gedeputeerde Staten van de provincies, die eveneens in handen waren van een klein aantal families.

De Nederlandse steden werden reeds sinds de late middeleeuwen bestuurd door de rijkere koopmansfamilies, die langzamerhand een gesloten klasse gingen vormen. Aanvankelijk kon de in schutterijen verenigde lagere burgerstand hier nog een zeker tegenwicht tegen bieden, maar in de loop van de 17e eeuw kreeg het stadsbestuur een steeds meer oligarchisch karakter.

Bij besluit van college van Burgemeester en Wethouders vastgesteld op 13
oktober 1998.


10.   Stadhoudersland - Stadhouder was de titel van een van de belangrijkste functionarissen in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De titel werd door de hertog van Bourgondië ingevoerd in de Bourgondische Nederlanden.

De titel komt oorspronkelijk van het Latijnse locum tenens, locus = plaats en tenens = houdend (in de betekenis van beheren of besturen), via het Franse lieu-tenant, het Duitse Statthalter en het Engelse steward. Stadhouder betekent dus plaatsvervanger.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.







11.   Standenland - Stand is een betrekkelijk gesloten sociale groepering met bepaalde sociale status en bijbehorende voorrechten en plichten. Hoewel hier aanvankelijk geen sprake van was, werd deze status gedurende de Middeleeuwen in toenemende mate formeel-juridisch bevestigd.

Aan de voorrechten kwam in een groot deel van Europa een einde met de Franse Revolutie. Binnen een stand kon sprake zijn van verschillende sociale klassen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.


12.   Stedenland - Een stad is, in tegenstelling tot een dorp, een grotere plaats waar mensen wonen, gelegen aan grotere verkeerswegen en met een eigen bestuurs- en verzorgingsstructuur.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.


 


In 1996 werden voor het zuidoostelijke kwadrant van Houten diverse wijknamen vastgesteld.

Voor bouwprojecten in de buurt De Landen, De Tuinen en De Sporen werd voor de wijknaam Loerik gekozen. Deze naam werd al in de achtste en negende eeuw gebruikt voor het land en buurtschap, ooit gelegen in de binnenbocht van de Binnentuin (Binnenweg).

De naam Loerik betekend 'Land toebehorend aan persoon Lorius'. Deze persoon Lorius zal vermoedelijk de meijer of drost van het buurtschap uit de achtste- en negende eeuw zijn geweest.

Bij herziening van de wijkindelingen en buurten in 2011 in opdracht van het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft de gemeente Houten de wijknamen die eerder waren vastgesteld bij collegebesluit van burgemeester en wethouders op dinsdag 13 maart 2012 ingetrokken.

Na deze dag werd de wijknaam Loerik niet meer gebruikt in de administratie.

Na dit besluit werd De Landen een buurt van de wijk Houten Zuidoost.



Het huis van Gerlach Marinus Baron van Boetzelaer (*14-05-1927 - +27-01-2017 - 89 jaar oud) toenmalig gelegen aan de Beusichemseweg wat eerder de Molendijk was en aangelegd was door de Staatsspoorwegen in 1865.

Gerlach kwam er in 1982 wonen vanuit De Bilt samen met zijn echtgenote mevr. Gerda Petersen. Hij was in de jaren tachtig adjunct-directeur van de rijksscholengemeenschap. In 1997 verkocht hij het huis aan de gemeente Houten voor de ontwikkeling van de buurt De Sporen. Precies op dit stuk van de grond werd de lange buurtweg inprikker Het Spoor aangelegd.

Bron: Regionaal Archief Zuid-Utrecht (RAZU), 286, 3687.






 

 

 Buurt De Tuinen

Buurtnaam thema: verschillende soorten tuinen 

De Tuinen geportretteerd op vrijdag 28 juli 2006, door Sander van Scherpenzeel.

1.   De Tuin - Een tuin is een begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd. Een tuin kan utilitair van aard zijn, een groentetuin, wetenschappelijk, een botanische tuin of een decoratieve siertuin.

Iemand die beroepshalve een tuin aanlegt en onderhoudt heet een hovenier of tuinman. Een tuin- en landschapsarchitect kan de tuin in een bepaalde stijl ontwerpen, zoals een Engelse of een Franse tuin.


Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


 




 


2.   Anemonentuin - Anemonen (Anemone) zijn overblijvende kruiden uit de ranonkelfamilie (Ranunculaceae). Ze komen voornamelijk voor in noordelijke gematigde gebieden. Ze hebben gelobde bladeren en grote bloemen met duidelijke bloemdekbladeren. Er worden ongeveer 120 soorten in dit geslacht geplaatst.

De wetenschappelijk geslachtsnaam Anemone gaat terug op de antieke oudheid.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 9 november 2004.


3.   Beeldentuin - Beeldhouwkunst is een van de beeldende kunsten.

Beeldhouwwerken worden door een beeldhouwer gemaakt van materialen zoals brons, smeedijzer, beton, klei, was, gips, of door een steenbeeldhouwer uit natuursteensoorten als marmer, graniet en zandsteen. De bustes, standbeelden en beeldengroepen zijn populaire voorbeelden van beeldhouwwerken.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


 








4.   Beusichemsetuin - De Beusichemsetuin maakte tot circa het jaar 2001 onderdeel uit van de verbindingsweg Houten - Beusichem. Voor het jaar 2005 was de naam Beusichemseweg. Tussen 1999 en 2006 is rondom de Beusichemsetuin de wijk De Tuinen gebouwd. 

Eerder waren de deelplan wijkbouw namen van de wijk De Tuinen: Loerik I, Loerik II en Loerik III. Tesamen met de buurten De Sporen en De Landen. Na de afschaffing van de eerdere deelplan wijkbouw namen in 2012 spreekt men van buurten binnen elk van de 4 kwadranten van de Rondweg van de gemeente Houten.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 25 januari 2005.


5.   Binnentuin - Voor het jaar 1997 maakte de Binnentuin onderdeel uit van de verbindingsweg Loerik, Rijsbrug in Houten en de Achterdijk in Bunnik met de naam Binnenweg. De kans is groot dat de Binnenweg tesamen met de Beusichemseweg al in de Romeinse Tijd een interlokale verbindsweg weg was van Utrecht via Vechten in Bunnik en via Houten naar Beusichem zo verder naar Tiel.

Van de Achterdijk in Bunnik is al door archeologisch onderzoek vastgesteld dat deze weg onderdeel heeft uitgemaakt van de vroegere Romeinse Heerweg of Heerbaan.


De vroegere Romeinse Limesweg gelegen aan de noordkant van het Romeinse Rijk die liep van Katwijk in het westen van ons land. Via de Leidse Rijn, Oude Rijn en Kromme Rijn en Nijmgen verder het zuidoosten van Duitsland in richting Italië.

Per 15 april 1997 was het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten van plan de Binnenweg de naam Groentetuin te geven. Maar hier kwam binnen de bevolking en raadsopositie veel weerstand tegen. Per 12 augustus 1997 werd daarom de naam binnen het Houtense straatnaamgedachten goed gewijzigd in Binnentuin. De weg maakte vanaf die tijd onderdeel uit van de buurt De Tuinen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.

 



6.   Bloementuin - Een bloem is het deel van een plant waarin de organen voor geslachtelijke voortplanting bij elkaar staan. Bloemen zijn kenmerkend voor planten die tot de bedektzadigen (Angiospermae, Magnoliophyta en Anthophyta of bloemplanten) behoren. Bloemen zijn alleenstaand, of staan min of meer gegroepeerd in kenmerkende bloeiwijzen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22

september 1998 en bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 31 mei 2005.


7.   Bloesemtuin - Met bloesem worden alle bloemen van een boom aangeduid. De term wordt vooral gebruikt voor bloeiende fruitbomen.

In fruitstreken zoals Haspengouw of de Betuwe worden sinds lange tijd tijdens de bloei van de hoogstambomen van de appel, peer en kersen bloesemtochten gehouden. Dit zijn tochten die de deelnemers lopend, per fiets, auto of ander vervoermiddel afleggen langs de bloeiende en geurende bomen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 24 mei 2005.


8.   Dahliatuin - Dahlia is een plantengeslacht uit de composietenfamilie (Asteraceae). Het geslacht omvat een tiental soorten, die wild voorkomen in Mexico.

De oorspronkelijke dahlia's zijn kale, opgaande, overblijvende kruiden met langwerpige, knolachtige wortels. De bladeren zijn zeer verschillend van soort tot soort. Oorspronkelijk kweekte men de knollen om deze te eten, tot men naliet de knollen te rooien en deze begonnen te bloeien. De eetbare knollen werden zo sierplanten.

De gekweekte dahlia's zoals wij die kennen zijn vrijwel zonder uitzondering hybriden. De dahlia's werden in 1872 in Nederland geïntroduceerd. Er bestaan wel 20.000 variëteiten.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 9 november 2004.







 


9.   Fresiatuin - Freesia is een geslacht uit de lissenfamilie. Het is vernoemd naar de botanicus Friedrich Freese (1794-1878). In niet-specialistische Nederlandstalige teksten wordt doorgaans de vorm fresia gebruikt om de bloem aan te duiden.

De Freesia is gevonden in Zuid-Afrika. De plant is vernoemd naar de Duitse arts Fr. Freese, een studiegenoot van de ontdekker van de plant, Chr. Fr. Echlon (1795-1868). Echlon verzamelde veel planten in de Kaapkolonie.

'Kaaps lelietje der dalen' werd ook wel als naam voor de Freesia gebruikt. Deze naam is echter niet in zwang geraakt, maar geeft wel aan waar de oorspronkelijke soorten zijn gevonden.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 9 november 2004.


10.   Heidetuin - Een tuin met een beplanting van voornamelijk heide.

Heide of hei is een benaming voor vegetatie vooral bestaand uit dwergstruiken uit de heide- en kraaiheifamilie. Heide komt in een beperkt aantal landen voor. Behalve in Nederland en België ook in de kuststrook van West-Europa, Groot-Brittannië en Ierland.

Het is een typische vegetatie die zich thuis voelt in streken waar een zeeklimaat heerst, met een hoge luchtvochtigheid en niet al te warme zomers en geen strenge winters.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


 



 






11.   Hyacintentuin - De hyacint (Hyacinthus orientalis) is een bolgewas uit de aspergefamilie (Asparagaceae). De plant is afkomstig uit het oostelijke Middellandse Zeegebied (Midden-Turkije tot Libanon). De soort bloeit in Nederland buiten van maart tot mei. Een enkel bloempje wordt een nagel genoemd.

De bol heeft een doorsnede van 3–7 cm. De langwerpige bladeren zijn 15–35 cm lang en 1–3 cm breed. Ze groeien vanuit een bladrozet aan de voet van de plant. De centrale stengel draagt twee tot vijftig geurende bloemen en wordt 20–45 cm hoog. De bloeiperiode valt vroeg in het voorjaar.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 9 november 2004.


12.   Kasteeltuin - Een kasteeltuin is een tuin, behorend bij een kasteel. De tuin ligt vanzelfsprekend in de directe omgeving van het kasteel. De kasteeltuin moet duidelijk onderscheiden worden van een kasteelpark. 

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


 

 


13.   Kloostertuin - Kloostertuinen, ook kruistuinen of viridaria genaamd, zijn tuinen om of in het klooster. In de middeleeuwen waren ze meestal centraal gelegen met rondom de kloostergebouwen. De tuinen hebben historisch gezien verschillende bestaansredenen.

De kruidentuin (herbularius) had vooral een geneeskundige functie. Doordat teksten uit de Romeinse en Griekse tijd vooral in kloosters werden bewaard, was er in de middeleeuwen binnen een aantal kloosters een voor die tijd redelijke geneeskundige kennis aanwezig. Planten met een geneeskrachtige werking werden in de kruidentuinen van de kloosters gekweekt. De medicijnen uit deze planten waren voor de lokale bevolking belangrijk.  

Daarnaast bestond de vroegmiddeleeuwse kloostertuin ook vaak uit een moestuin (hortus) en een boomgaard.

 Deze tuinen hadden vooral een nuttigheidsfunctie en behoefden niet veel versiering.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.



14.   Krokussentuin - Krokus (Crocus) is een geslacht uit de lissenfamilie (Iridaceae), dat 90 soorten omvat. Hiervan is circa een derde deel herfstbloeier.

De krokussen zijn vooral afkomstig uit de bergen rond de Middellandse Zee. Het grootste aantal soorten zijn afkomstig uit de Balkan en Klein-Azië, met uitzondering van Crocus vernus (L.) Hill, die men tot Centraal-Europa aantreft (Alpen en Karpaten), en een paar soorten zoals Crocus alatavicus Semenova & Reg. en Crocus korolkowii Regel ex Maw, die afkomstig zijn uit de bergen van Centraal-Azië.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 9 november 2004.






15.   Kruidentuin - Een kruidentuin is een tuin waarin tuinkruiden en kruiden met medicinale werking worden gekweekt. Het kan een gedeelte van een grotere tuin of hortus botanicus vormen, maar vaker gaat het om een tuin die enkel dergelijke kruiden bevat.

De oudst bekende kruidentuin in Europa is die welke op het zogeheten kloosterplan van de abdij van Sankt Gallen uit 820 wordt weergegeven. De monniken kweekten er kruiden voor eigen gebruik, maar wellicht vormden de veelvormigheid en schoonheid van de planten ook een aanleiding tot meditatie wanneer zij deze tuin bezochten. Overigens geeft deze beroemde tekening waarschijnlijk meer een ideaalbeeld van een klooster weer dan de werkelijkheid. Veel kloostertuinen bevatten dan ook een kruidentuin.



De bekendheid met deze tekening leidde ertoe dat bij vele kerken en kathedralen in de 20e eeuw kruidentuinen naar dit model zijn aangelegd, bijvoorbeeld bij de Dom van Utrecht.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.

16.   Lelietuin - Lelie (Lilium) is een geslacht van kruidachtige planten, behorend tot de leliefamilie. Het geslacht telt meer dan honderd soorten, waarvan de meeste voorkomen op het Noordelijk Halfrond.

De planten uit het geslacht zijn vooral bekend als tuinplanten. Sommige soorten hebben eetbare bollen, die bijvoorbeeld in China traditioneel als voedsel worden gekweekt. Voor sommige huisdieren, speciaal voor katten, kunnen zelfs kleine hoeveelheden plantenmateriaal dodelijk zijn.

De soorten uit het geslacht Lilium staan bekend als de ware lelies. Ze dienen onder andere als voedsel voor de larven van motten en vlinders uit de orde Lepidoptera.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 9 november 2004.


 






17.   Narcissentuin - Narcis (Narcissus) is een geslacht van bolgewassen uit de narcisfamilie (Amaryllidaceae). De naam is afkomstig uit de Griekse mythologie (zie Narcissus (mythologie)). Narcissen zijn voorjaarsbollen en hebben een koude rustperiode nodig.

Je vindt narcissen in vele soorten en kleuren: roze, oranje, rode, witte of gevlekte, dubbelbloemige bloemen, met grote gele trompetten of met trosjes van gele of witte bloemetjes. In tegenstelling tot bij de leliefamilie komt bij deze familie een onderstandig vruchtbeginsel voor.

Je kunt narcissen rustig laten verwilderen; ze vermeerderen zich vanzelf en elk jaar zullen er meer bloemetjes komen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 9 november 2004.


18.   Rotstuin - Een rotstuin is een deel van een tuin of park dat door het gebruik van stenen en rotsplanten het aanzien van een miniatuur gebergte heeft. 

De planten in een rotstuin moeten klein zijn, zodat ze niet de rotsen bedekken. Ze mogen in 'drinkbakken' geplant worden, of gewoon in de grond. Gewoonlijk zijn het plantjes die in waterdoorlatende teelaarde het beste groeien, en dus minder water nodig hebben.

Een opmerkelijke vorm van een rotstuin, is de Japanse rotstuin. Kenmerkend voor de Japanse rotstuin, ook wel Zen Garden genoemd, is dat er bijna geen planten in groeien.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.


 

 



19.   Rozentuin - Rozen (geslacht Rosa) zijn bloemplanten die tot de rozenfamilie (Rosaceae) behoren. Het geslacht telt in het wild ongeveer 300 soorten. Daarnaast zijn er vele veredelde vormen (cultivars). De botanisch geziene schijnvrucht van de roos heet rozenbottel.

Rozen worden al sinds duizenden jaren geteeld om hun schoonheid en geur, en in de oudheid gebeurde dat in China en Afrika, door de Grieken, Romeinen en Egyptenaren.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21
september 1998.


20.   Siertuin - Een siertuin is een tuin waar (sier)planten groeien. Het doel van het aanplanten en verzorgen van sierplanten is de esthetische waarde van de tuin te verhogen en de bezoekers ervan te laten genieten.

Bijna ieder benedenhuis heeft wel zo'n tuintje, soms niet groter dan enkele vierkante meters.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


 



21.   Tulpentuin - Tulp (Tulipa) is een geslacht van eenzaadlobbige planten uit de Leliefamilie (Liliaceae).

Tulpen werden in de westelijke wereld geïntroduceerd door de Weense ambassadeur voor Turkije, Ogier Gisleen van Busbeke, die over de bloemen schreef die hij in 1551 in het Turkse Edirne had gezien. Later zond hij enkele zaden ervan naar Oostenrijk.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 9 november 2004.


22.   Vlondertuin - Een vonder (ook: vondel of vlonder) is een smalle brug, vaak niet meer dan een of twee planken breed of een balk.

De woorden vonder en vlonder worden beide gebruikt. In de streken waar "vonder" brug betekent, wordt met een "vlonder" een (kleine) aanlegsteiger of stoep bedoeld.

Dat vonders weleens vervangen worden door grotere bruggen - als bijvoorbeeld het pad aan belang wint - bewijst de plaatsnaam Balkbrug.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 9 november 2004.




In 1996 werden voor het zuidoostelijke kwadrant van Houten diverse wijknamen vastgesteld.

Voor bouwprojecten in de buurt De Tuinen, De Sporen en De Landen werd voor de wijknaam Loerik gekozen. Deze naam werd al in de achtste en negende eeuw gebruikt voor het land en buurtschap, ooit gelegen in de binnenbocht van de Binnentuin (Binnenweg).

De naam Loerik betekend 'Land toebehorend aan persoon Lorius'. Deze persoon Lorius zal vermoedelijk de meijer of drost van het buurtschap uit de achtste- en negende eeuw zijn geweest.

Bij herziening van de wijkindelingen en buurten in 2011 in opdracht van het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft de gemeente Houten de wijknamen die eerder waren vastgesteld bij collegebesluit van burgemeester en wethouders op dinsdag 13 maart 2012 ingetrokken.

Na deze dag werd de wijknaam Loerik niet meer gebruikt in de administratie.

Na dit besluit werd De Tuinen een buurt van de wijk Houten Zuidoost.

 



 Buurt De Meren

Buurtnaam thema: meren gelegen in diverse soorten gebieden/diverse meer soorten

 

De Tuinen geportretteerd op vrijdag 28 juli 2006, door Sander van Scherpenzeel.



1.   Het Meer - Een meer is een door land omringde watervlakte.

De meeste meren hebben een of meer voedende en afwaterende rivieren. Veel meren, zoals het Bodenmeer in de Rijn, worden beschouwd als onderdeel van een rivier. Zo'n rivier is echter geen criterium voor een meer; de afwatering kan ook gebeuren door verdamping en de watertoevoer kan ook direct afkomstig zijn van neerslag.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


 

 



2.   Bergmeer - Een berg is een landvorm die uit een beperkt gebied bestaat dat duidelijk hoger is dan de omgeving. De flanken van een berg bestaan uit meer of minder steile hellingen en het reliëf op en rondom de berg is groot.

Een berg is in het algemeen hoger en steiler dan een heuvel, maar er bestaat geen vaste definitie voor het onderscheid tussen de twee. Soms wordt de definitie aangehouden dat een berg zich meer dan 200 à 300 meter boven zijn omgeving verheft, een kleinere verheffing wordt dan een heuvel genoemd.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


3.   Bosmeer - Bos is een begroeiing die voornamelijk uit bomen in een dominante boomlaag bestaat met de daarbij een ondergroei van kruiden en struiken. De kruidlaag is de laag planten tot 135 cm hoog en de struiklaag is die van 135 tot 800 cm hoog. Daarboven spreekt men van de boomlaag.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.




 



4.   Duinmeer - Het Duinmeer ligt in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland, Noord-Holland, vlak bij Haarlem. Er is vooral veel natuur om het meer heen.

Het is ook een goede vakantie plek voor vogels. Vroeger waren er op het strand van het Duinmeer heel veel meeuwen. Meer gelegen in de Duinen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


5.   Gletsjermeer - Een gletsjermeer is een meer dat als oorsprong een smeltende gletsjer had.

Een terugtrekkende gletsjer laat vaak een grote hoeveelheid ijs en puin achter in holtes tussen drumlins of heuvels. Bij het einde van de ijstijd smolt dit ijs en vormde zo meren. Deze meren zijn vaak omringd door drumlins, samen met ander bewijs dat er in het verleden een gletsjer is geweest zoals morenen, eskers en erosieachtige eigenschappen zoals krassen en chatter marks.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


6.   Grindmeer - Grind is een granulair ('korrelig') afzettingsgesteente. De korrels zijn grover dan zand en fijner dan steen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.



 

 


7.   Kratermeer - Een kratermeer is een meer dat zich heeft gevormd in een vulkanische krater, caldera of maar, of in een inslagkrater van een meteoriet.

Inkomend water (door neerslag) vult de depressie en vormt een klein verdiept meer, tot een evenwicht tussen het waterpeil in de depressie en het verdampingspeil is bereikt. Soms ligt dat peil hoger dan de kraterrand en ontstaat een overstroming.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 23 maart 1999. 


8.   Moerasmeer - Een moeras is een type drasland. Het is een overgangsgebied tussen water en land en wordt gekenmerkt door een hoge waterstand (boven het maaiveld) gedurende het hele jaar en een goed ontwikkelde kruidlaag met vooral veel helofyten. Vaak zijn er kenmerkende planten- en diersoorten.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


9.   Regenmeer - Regen is, net als sneeuw (ijskristallen) en hagel (kleine, gelaagde ijsklompen), een vorm van neerslag alias hemelwater.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 23 maart 1999. 



 


10.   Steppemeer -  Een steppe (van het Russische степь (step’): heideland) is een landschapstype waarin geen bomen groeien, maar voornamelijk grassen. Een steppe is een vorm van natuurlijk grasland.

Steppen komen voor in gebieden waar 8 tot 9 maanden per jaar droogte heerst en waar door gebrek aan regen geen bomen groeien. Als het regent wordt het gelige gras plotseling groen en komen plots kruidachtige struikjes tot bloei. Deze kruidachtige struikjes vormen samen met het zand een steppe.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


 

 

 



11.   Strandmeer - Een strand is een strook land met weinig of geen vegetatie aan het water van een zee, meer, plas of rivier. Een strand loopt af richting het water en gaat over in de bodem ervan. Het strand vanaf de zee tot aan de duinvoet is in Nederland eigendom van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB).

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


12.   Stuwmeer - Een stuwmeer ontstaat doordat de loop van een rivier wordt onderbroken.

Een natuurlijk stuwmeer ontstaat doordat de loop van een rivier op natuurlijke wijze wordt onderbroken, bijvoorbeeld door een sneeuwlawine, ijsvorming of een aardverschuiving. Doordat het water zich erachter ophoopt zal het ooit eens ergens tot een doorbraak moeten komen.

Geologisch onderzoek heeft uitgewezen dat zich na afloop van de laatste ijstijd in Noord-Amerika op deze wijze meerdere gigantische overstromingen hebben voorgedaan.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.


13.   Toendrameer - Een toendra is een gebied zonder hoge plantengroei grenzend aan een poolgebied. De begroeiing bestaat uit grassen, mossen, korstmossen en dwergstruiken. In de WWF-indeling van 's werelds ecoregio's vormen de toendraregio's het elfde bioom.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.



 


14.   Veenmeer - Het Veenmeer is een plas in Tynaarlo (Algemene Wikipedia tekst, geen vernoeming naar dit meer). Het meer is geschikt voor alle typen duikers. In het meer bevinden zich verschillende objecten waaronder oefenplatforms. Hierdoor wordt het meer vaak gebruikt voor duikopleidingen. Tevens ligt er in de plas een wrak van een sloep dat door lokale duikers het Juweeltje wordt genoemd. Overige objecten zijn een autowrak, een caravan en zogenaamde reefballs.

Veengrond is een grondsoort, die is opgebouwd uit gehumificeerd plantaardig materiaal. Deze natte, sponsachtige grondsoort is gevormd door afgestorven planten in moerassen en later bewaard gebleven onder natte, zuurstofarme omstandigheden.



Zo'n ter plaatse gevormde grondsoort wordt wel een sedentaat genoemd. In Noord- en West-Nederland worden uitgestrekte veengebieden al honderden jaren vooral als weidegebied voor koeien gebruikt.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22
september 1998.

15.   Woudmeer - Bos of woud is een begroeiing die voornamelijk uit bomen in een dominante boomlaag bestaat met de daarbij een ondergroei van kruiden en struiken.

De kruidlaag is de laag planten tot 135 cm hoog en de struiklaag is die van 135 tot 800 cm hoog. Daarboven spreekt men van de boomlaag.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 23 maart 1999. 





16.   Zoetwatermeer - Zoetwater (zoet water) is water dat minimale hoeveelheden zout bevat, dat dus een geringe saliniteit heeft. Hiermee onderscheidt het zich van brak water en zout water. Zoetwater heeft zijn oorsprong in neerslag, dat via grondwater, beken of rivieren richting zee stroomt.

Voor veel organismen is de beschikbaarheid van drinkwater een kritische levensbehoefte. Drinkwater is zoetwater van een kwaliteit waardoor het voor drinken geschikt is.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 22 september 1998  en bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 23 maart 1999. 


 

Historie boerderij Overdam aan de Rietdijk 5


De naam Overdam is afkomstig van een dam in de Rietsloot. Vanuit de nederzetting Loerik lagen het land en de boerderij aan de overzijde van de Rietsloot en waren bereikbaar via deze dam. De boerderij zal al vroeg de naam Overdam hebben gekregen, waarna de eigenaren zich naar de
boerderij gingen noemen. In het jaar 1263 geeft de Utrechtse broederschap van de Heilige Drievuldigheid een stuk land in Loerik in erfpacht aan een zekere Willem Overdamme. Deze Willem zal ongetwijfeld gewoond hebben op een voorganger van de huidige boerderij.

De oudste vermelding van de boerderij dateert uit 1357. In dat jaar verkoopt Willem Overdam (vermoedelijk een zoon of kleinzoon van de hiervoor genoemde Willem) zijn huis en hofstede tot Overdam aan Rumer Uten Goye. Deze Rumer was een bastaardzoon uit het geslacht
Van Goye. In 1412 kwam Overdam in eigendom van het Karthuizerklooster in Bloemenedaal bij Utrecht, die het vervolgens in 1418 verkochten aan het Utrechtse kapittel van Oudmunster. In het
begin van de vijftiende eeuw wordt melding gemaakt van een hofstede met singel en singelgraaf, hetgeen betekent dat er dan een gracht om de boerderij ligt.


In 1773 verkoopt de rentmeester van het kapittel van Oudmunster Overdam bestaande uit 'een huizinge, twee bergen, een schuur en bakhuis met veertig mergen en 400 roeden, waarvan omtrent 14 mergen zo boomgaard als weiland, het overige als bouwland’. De koper is de heer Tobias  Sijdenhagenvoor een bedrag van f. 7210,-.

In 1783 werd de boerderij met circa 52 morgen land verkocht aan Elizebetth van Kesteren. In 1832 is de boerderij met het bijbehorende land eigendom van Mattheus Dekkers uit Utrecht. In 1851 verkoopt hij de boerderij aan Cornelis Scholman, die al geruime tijd pachter van de boerderij was. De laatste eigenaar die ook boerde op Overdam was A. Zomer. In 1977 liet hij op geringe afstand van de boerderij een nieuw huis met veestalling bouwen. Overdam werd vervolgens verkocht aan W. J. Kruitwagen, die de boerderij liet restaureren en als woning ging gebruiken.

Tijdens de restauratie is door de archeologische werkgroep van de Historische Kring Tussen Rijn en Lek onderzoek gedaan. Er werd onder andere een sleuf gegraven loodrecht op het voorhuis van de boerderij, dwars over de voormalige gracht. Hieruit bleek dat de gracht circa

5 meter breed was en oorspronkelijk ongeveer 1,5 meter diep moet zijn geweest. De aardewerkvondsten die tijdens dit onderzoek gedaan werden dateerden uit de periode 1350 tot 1800. 


Hoewel Overdam eeuwenlang een pachtboerderij was en bewoond werd door boerenfamilies had het kapittel van Oudmunster één kamer, vermoedelijk de opkamer, voor zichzelf gereserveerd. Deze kamer werd door de heren van het kapittel gebruikt om te vergaderen en om de
pacht te ontvangen van boeren die land in pacht hadden in de omgeving van Houten. In 1626 werd in opdracht van het Capittel van Oudmunster een kaart vervaardigd van de boerderij met het bijbehorende land. Hierop zien we Overdam afgebeeld als een monumentale dwarshuisboerderij met daaromheen een gracht. Binnen de gracht staan behalve de boerderij nog twee gebouwtjes, dit waren vermoedelijk een bakhuis en een schuur, en verder staan er twee hooibergen. De ingang van het erf bestaat uit een over de gracht gebouwd poortgebouw. Buiten de gracht ligt rondom de boerderij een boomgaard.

In 1766 was de pacht f 525 voor de boerderij en het land. Daarbij moesten nog acht vette hoenderen worden geleverd en had het kapittel het gebruik van de Heere kamers en kelders. De pachter moest tevens zorgen voor het stallen van de paarden en wagens als de heren de
boerderij bezochten.


Het poortgebouw werd pas in het begin van de twintigste eeuw gesloopt. De omgrachting werd circa vijftig jaar geleden gedempt maar is nog steeds zichtbaar als een verlaging in het land.

Het voorhuis van de boerderij was oorspronkelijk een vrijstaand woonhuis zonder achterhuis. Landbouwproducten en dieren waren ondergebracht in aparte bijgebouwen. In 1600 wordt aan het woonhuis een achterhuis gebouwd, zoals te zien is op de kaart uit 1626.

Sinds die tijd is er niet veel aan het gebouw veranderd, in de achttiende eeuw kwam er tegen de linkerzijgevel een uitbouw onder een zadeldak ter uitbreiding van het woongedeelte. Mogelijk in diezelfde tijd verdwenen de topgevel van het voorhuis aan de rechterzijde en werd het dak van
het achterhuis doorgetrokken over het voorhuis, waardoor de boerderij de vorm van een krukhuis kreeg. Links naast de boerderij staat nog een eind achttiende-eeuws bak-zomerhuis met spoelhok.

Bron: Rondom de Leedijk, 2003 O.J. Wttewaall.


In 1996 werden voor het zuidoostelijke kwadrant van Houten diverse wijknamen vastgesteld.

Voor bouwprojecten in de buurt De Meren werd voor de wijknaam Overdam gekozen. 

De naam van de wijk gaat terug op de oostelijke gelegen boerderij Overdam aan de overkant van de buurt De Meren.

Zie voor de geschiendenis van de boerderij de bovenstaande tekst.

Bij herziening van de wijkindelingen en buurten in 2011 in opdracht van het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft de gemeente Houten de wijknamen die eerder waren vastgesteld bij collegebesluit van burgemeester en wethouders op dinsdag 13 maart 2012 ingetrokken.

Na deze dag werd de wijknaam Overdam niet meer gebruikt in de administratie.

Na dit besluit werd De Meren een buurt van de wijk Houten Zuidoost.

 


 Buurt De Mossen

Buurtnaam thema: diverse soorten mos


De Mossen geportretteerd op zaterdag 5 augustus 2006, door Sander van Scherpenzeel.


1.   Het Mos - De Mossen zijn de eenvoudigste landplanten. Ze missen onder meer vaatbundels en wortels. Mossen zijn kleine groenblijvende planten.

Ze hechten zich vast met wortelachtige structuren die rhizoïden worden genoemd. In tegenstelling tot de echte wortels van andere planten, worden rhizoïden niet gebruikt voor opname van nutriënten.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 17 maart 2020 


 

 


2.   Beekmos - Pluisdraadmos / Beekmos Amblystegium riparium (Hedw.) Schimp.

Beek-pluisdraadmos groeit bij voorkeur op natte, beschaduwde plaatsen. In broekbossen en langs stromend of stilstaand water kan Beek-pluisdraadmos worden aangetroffen op slib, takjes, rietstengels, steen en hout, zowel boven als onder water. Het komt een enkele keer voor op drogere plaatsen, bijvoorbeeld op wilgenstammen.

Beek-pluisdraadmos kan het hele jaar door met sporenkapsels worden aangetroffen. De kapselstelen zijn glad en donkergroen tot roodbruin, al naar gelang het groeistadium.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.


3.   Bladmos - Wetenschappelijke naam: Musci, BryopsidaBladmossen zijn planten die bestaan uit stengels met blaadjes. De stengels hebben meestal geen duidelijke boven- en onderzijde. De blaadjes hebben meestal nerven. Bladmossen (bijv. Vorcutannularia en Protosphagnum) zijn met zekerheid bekend sinds het Perm (ca. 290-250 miljoen jaar geleden).

Fossielen van vóór het Perm zijn onzeker en weinig gedetailleerd bekend, bijv. Muscites uit het Laat-Carboon (ca. 320-290 miljoen jaar geleden). Van latere perioden zijn fossiele bladmossen pas bekend uit het Jura (ca. 210-130 miljoen jaar geleden).

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.




 


4.   Bronmos - Kribbenmossen Cinclidotus Kribbenmossen zijn echte waternmssen. Erkomen drie soorten in Nederland voor: Diknerf-kribbenmos (C. danubicus), Gewoon kribbenmos (C. fontinaloides) en Langsteel-kribbenmos (C. riparius).

Ze beperken zich in hun voorkomen tot de oevers van rivieren, waar ze bij voorkeur groeien op kalkrijk gesteente: kribben, dijken en beton, soms ook wel op hout.
Bronmos (Fontinalis antipyretica) vormt ook zwartgroene slierten (tot wel zestig centimeter lang) en ziet er ongeveer hetzelfde uit als een Kribbenmos. In tegen-stelling tot kribbenmossen komt Bronmos echter ook voor in stilstaand water.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.


5.   Fluweelmos - Gewoon dikkopmos Brachythecium rutabulum (Hedw.) Schimp.
Gewoon dikkopmos is vermoedelijk het meest algemene mos in Nederland. Hoewel het voornamelijk een bodemmos is, groeit het ook vaak op baksteen, beton, dood hout en bomen. Gewoon dikkopmos is niet kieskeurig: het sub-straat varieert van droog tot nat, van voedselarm tot zeer voedselrijk en van zuur tot basisch.
Zacht dikkopmos (B. velutinum), ook wel Fluweelmos genoemd, lijkt op Fijn lad-dermos (Eurhynchium praelongum), maar glimt, is onregelmatig in plaats van geveerd vertakt en de nerf eindigt al op circa driekwart van de bladlengte.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.




6.   Goudmos - Gewoon sikkelmos Drepanocladus aduncus
Gewoon sikkelmos is een soort van waterkanten en moerassige plaatsen op zowel klei-, leem- als zandgronden.

Gewoon sikkelmos groeit met losse stengels tussen andere planten of vormt platte matjes. Op kale bodems kan het uitgestrekte matten vormen. Gewoon sikkelmos is extreem variabel. De overwegend liggende stengels zijn spaarzaam vertakt, ijl en vaak afgeplat bebladerd. De stengelbladen zijn eirond tot langwerpig, ongetand en eindigen in een lange sikkelvormig gekromde top. De bladrand is vooral in de bladtop omgerold.

Aan de bladbasis zitten brede bladoortjes met grote cellen. De nerf is duidelijk te zien en eindigt ver voor de bladtop. De rizoïden staan in bundels ingeplant.


In natte duinvalleien is verwarring mogelijk met Gewoon goudmos (Campylium polygamum). Deze soort heeft normaal naar alle kanten afstaande bladen, vooral aan de stengeltop. Soms zijn de bladen echter naar één kant gekromd, wat het onderscheid met Gewoon sikkelmos en Beek-pluisdraadmos bijzonder moeilijk maakt. Afgeplatte bebladering komt bij Goudmossen niet voor. Net als bij Gewoon sikkelmos staan de rizoïden in bundels.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.




7.   Kantmos - Gewoon Kantmos (Lophocolea bidentata) iseen gebladerd levermos dat voorkomt in Noord-Europa.Het mosje groeit op vochtige grond en in moerassen. Het geurt sterk naar vochtige bosgrond.
De stengel wordt tot 3 cm lang. Het blad is aan de basis breder dan aan de top. Het blad heeft twee scherpe toppen. Aan die bladvorm dankt het mosje zijn naam: het was Huib de Miranda die de gelijkenis met een ingedeukte Sinterklaasmijter opviel en het plantje halverwege de twintigste eeuw in de NJN-mossentabel de naam 'platgeslagen sinterklaasmutsjesmos' gaf.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.



 


8.   Pronkmos - Gewoon pronkmos Isopterygium elegans (synoniem Pseudotaxiphyllum elegans)
Gewoon pronkmos is een bekende soort van bossen op lemige tot zandige gron-den. Het heeft een duidelijke voorkeur voor boswallen, greppelwanden en stam-voeten en groeit altijd op kale grond. Langs boswallen blijkt dat Gewoon pronk-mos niet bestand is tegen bladval: het groeit optimaal langs steile hellingen waar geen bladen blijven liggen. Een andere geliefde groeiplaats is de directe omgeving van boomvoeten, vooral van beuken.

Het verspreidingsgebied vertoont een sterke overeenkomst met dat van andere zuurminnende soorten zoals Kronkelsteeltjes, Heide-klauwtjesmos, Gewoon gaf-feltandmos en Gewoon pluisjesmos. Gewoon pronkmos is nauwelijks te verwarren met een ander mos.


 Als broedtakjes ontbreken lijkt gewoon pronkmos veel op Klein platmos (Plagiothecium laetum). Klein platmos groeit echter zelden terrestrisch, maar gewoonlijk op de voet van eiken en berken of op stobben.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.



9.   Puntmos - Gewoon puntmos Calliergonella cuspidata
Gewoon puntmos is in Nederland algemeen op allerlei vochtige tot natte plaat-sen. Het groeit bij voorkeur in moerassen, broekbossen, aan slootkanten e.d. Vreemd genoeg is het echter ook in staat om onder bijzonder droge omstandigheden te groeien, mits het substraat kalkhoudend is.


Zo is dit punt-mos te vinden in kalkgraslanden. De groeiplaatsen variëren van zonnig tot be-schaduwd.Gewoon puntmos groeit in losse matjes die nauwelijks aan het substraat zijn gehecht. 

De stengels van Gewoon puntmos zijn geveerd vertakt en hebben ken-merkende spitse toppen.De stengelbladen zijn hol en eirond met een afgeronde top. De nerf is V-vormig, kort en in de meeste gevallen niet te zien.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.

10.   Rendiermos - Rendiermos (Cladina) is een subgenus behorende tot het geslacht Cladonia. De naam Cladina wordt echter regelmatig als geslachtsnaam voor rendiermos gebruikt. De rendiermossen behoren tot de korstmossen, zijn struikvormig, groen-grijs gekleurd en hebben holle mergloze vertakkingen.

De naam rendiermos is afgeleid van de vorm van de 'plant' die op een hertengewei lijkt. In sommige gebieden, zoals in Lapland, is rendiermos het hoofdvoedsel van het rendier.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1 juni 1999 en bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 21 september 2010.


 



11.   Rimpelmos - Groot rimpelmos Atrichum undulatum
Groot rimpelmos legt een duidelijke voorkeur aan de dag voor leemhoudende bodems. Het verspreidingszwaartepunt bevindt zich daarom in het oosten en zuiden van Nederland, maar ook daarbuiten is Groot rimpelmos algemeen, vooral op greppelwanden, sloot- en beekoevers en in allerlei bostypen.

Klein rimpelmos (Atrichum tenellum) komt net als Groot rimpelmos op lemige substraten voor. Het is vaak te vinden langs sloten en op greppelkanten. Omdat het nauwelijks schaduw verdraagt, komt Klein rimpelmos niet in bossen voor; Groot rimpelmos juist wel. Andere verschillen zijn: de bladen zijn niet gerimpeld, aan de onderkant van het blad zitten geen tandjes en de lamellen zijn minstens zes cellen hoog. Dit laatste kenmerk is alleen onder de microscoop te zien.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.


12.   Riviermos - Riviermos komt in Nederland voor langs de grote rivieren. (Latijnse naam: Dialytrichia mucronata.).

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.



 

  

13.   Schijfmos - Moeras-buidelmos Calypogeia fissa
Moeras-buidelmos is in heel Nederland algemeen op beschaduwde, vochtige tot natte zand-, leem- en veenbodems. Men treft het daarnaast aan op dood hout in allerlei natte bostypen.
Scheef buidelmos (C. arguta) is zeldzaam op leem, heeft sterk aflopende bladen met uiteenwijkende bladtopjes en kleine viertoppige onderbladen. Op wilgen en andere bomen met een rijke schors kan een levermos groeien dat oppervlakkig bezien op een buidelmos lijkt: Schijfjesmos (Radula complanata). Ondanks overeenkomsten in bladvorm is deze epifyt geen familie van Buidelmossen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.


14.   Schildmos - Parmelia sulcata Taylor Gewoon schildmos, Azuurschildmos
Kenmerken: een grijs, bladvormig korstmos met langgestrekte, vertakte, aan de top afgeknotte lobben met langwerpige soralia. Thallus grijswit tot grijs, dof, diep, in lobben gedeeld, rozetvormig of (vaker) onregelmatig in omtrek, tot 8 (10) cm breed. 

Lobben vlak, oneffen, tamelijk langgestrekt, aan de top vaak afgeknot, 5-20 mm lang en 1-3 (4) mm breed, plaatselijk of volledig overdekt met witachtige, verheven, netvormige aderen (pseudocyfellen; vooral duidelijk op jonge lobben), daardoor met 'hamerslag-effect'.

Langwerpige of (minder vaak) ovale soralia ontstaan op de netvormige aderen en ook aan de randen; bij oudere exemplaren kan het hele thallusmidden ermee bezet zijn.



Voorkomen: het algemeenste bladvormige korstmos op zwak zure, min of meer voedselrijke boomschors, met een brede oecologische amplitude, optimaal op lichtrijke plaatsen. In Europa wijdverbreid.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.



15.   Sterremos - Gewoon SterrenmosMnium hornum
Gewoon sterrenmos is een typisch bodemmos dat gewoonlijk in grote hoeveel heden voorkomt op de grond in allerlei bossen, langs greppels en op boswallen. In elzenbroekbossen kan het masaal op boomvoeten groeien.

Gewoon sterrenmos groeit in kleine pollen of grote, donkergroene zoden. In het voorjaar steekt het lichte groen van de jonge scheuten duidelijk af tegen de donkergroene, oudere plantdelen. De stengelbasis is roodbruin en bezet met rizoïden. De langwerpige bladen vertonen een uitstekend veldkenmerk: ze heb-ben een duidelijke zoom met tanden die in paren staan.

Onder vochtige omstandigheden staan de bladen schuin af, terwijl ze in droge toestand verschrompeld tegen de stengel liggen.In veel populaties van Gewoon sterrenmos bevinden zich planten met een opvallend rozetje van grote bladen aan de stengeltop.

Dit zijn planten met een perigonium dat de mannelijke voortplantingsorganen bevat. De vrouwelijke organen bevinden zich op andere planten zonder rozet. Gewoon sterrenmos is tweehuizig, maar vormt desalniettemin vaak spo-renkapsels. Aan de top vertoont de kapselsteel een knik waardoor de sporenkapsels met de mond naar beneden hangen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.

16.   Varenmos - Plagiochila asplenioides Groot varentjesmos Syn. Plagiochila major
Kenmerken: de plant lijkt op een klein streepvarentje (Asplenium). Takjes frisgroen (later vaak bruingroen), tot 1 cm breed en ruim 5 cm lang, vaak als een hoogpolig tapijt vele vierkante meters bedekkend.

Blaadjes onderliggend (de voorrand van het oudere blad ligt onder de achterrand van het jongere blad), schuin aangehecht, iets aflopend, halfcirkelvormig, kenmerkend overdwars gewelfd en rijkelijk getand.

De var. humilis is een ca. 2 cm hoge kommervorm.

Wortelblaadjes en broedkorrels ontbreken; toch schijnt vegetatieve vermeerdering voor te komen, via bladspruiten.

 Perianthen zijdelings samengedrukt, scheef afgebogen, tot 1 cm lang, maar zeer zeldzaam.


Voorkomen: schaduwminnend; op vochtige, vrij voedsel- en humusrijke bodems, vaak samen met thuidium tamariscinum en Eurhynchium striatum. Wijdverbreid in de koel-gematigde delen van Eurazië.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.

 

 


17.   Witmos - Één van de planten van het geslachtLeucobryum (subklasse Bryidae), die lijkt op de getufte reus. Een grijsachtig witte pincushions die in vochtige bossen en moerassige gebieden voorkomt. Drie of meer soorten zijn inheems in Noord-Amerika. Halfmassief mos groeit in dichte klontjes, variërend van een paar centimeter tot een meter hoog.De klontjes kunnen absorberen en water vasthouden. Ze detacheren makkelijk en kunnen op het bodemoppervlak liggen. Nieuwe planten worden gevormd uit vegetatief vrouwelijke planten aan de rand van elk bos.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.


18.   Zijdemos - Gewoon zijdemos Homalothecium sericeum.

Gewoon zijdemos groeit bij voorkeur op kalkhoudend gesteente. Het is een karakteristieke bewoner van oude muren. Bovendien is de soort epifytisch te vinden op bomen met een neutrale schors, vooral op populier, wilg, iep, es en vlier. De groeiplaats is meestal droog en onbeschaduwd.

Gewoon zijdemos is door luchtverontreiniging de laatste jaren duidelijk zeldzamer geworden, maar in de kalkrijke duinen, het rivierengebied en in Zuid-Limburg is deze soort nog tamelijk algemeen.
Gewoon zijdemos groeit in platte, sterk aan het substraat gehechte matjes.

De stengels zijn meestal dicht en regelmatig geveerd vertakt. De zijtakken zijn ongeveer even lang en omhooggericht. In droge toestand zijn de takken boog-vormig gekromd, een goed veldkenmerk.De bladen zijn smal driehoekig en lopen uit in een lange, spitse top. 


De blad-schijf heeft diepe lengteplooien. De nerf ligt veelal in een diepe plooi waardoor deze nauwelijks zichtbaar is. De bladen staan zowel in droge als in vochtige toestand schuin omhoog. Planten met sporenkapsels zijn zeldzaam.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1
juni 1999.

 






19.   Zilvermos - Bryum argenteum Zilvermos, Zilver-knikmos
Kenmerken: lage, in droge toestand zilverig glanzende matjes of kussens, tot verscheidene centimeters breed. Plantjes rechtopstaand, ca. 1 mm breed en 0,5-1 cm lang, draadvormig lijkend door de stijf aanliggende, schubvormige, haast cirkelvormige, uitgeholde blaadjes, die in de tophelft uit glasheldere cellen zonder chlorofyl zijn opgebouwd. Glasharen kort of (op zonnige standplaatsen) vrij lang (bij de fo. lanata). Soms zijn zeer kleine broedkorrels aanwezig. Kapsels vaak talrijk, elliptisch, bij rijpheid roodbruin, ca. 2 mm lang.

Voorkomen: op open, meestal lichte tot zonnige, voedselrijke, vaak vochtige bodems; nitraatindicator! Tot in de binnensteden algemeen op muren, in de voegen van plaveisel, in dakgoten en zo meer, ook waar (behalve Ceratodon en Tortula muralis) geen andere mossen kunnen groeien. Op het platteland vaak op droge graslanden. Wereldwijd verspreid (vaak aangevoerd).



Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 1 juni 1999.



Westrummerhofstede

Westrum(merhofstede) was een klein dorpje uit de middeleeuwen dat ten zuiden van de wijk De Mossen lag. Ter herinnering heeft de gemeente Houten een metalen constructie in het weiland geplaatst. Over Westrum is relatief weinig bekend en zijn veel vermoedens.

Historici vermoeden dat Westrum tussen de 10e en 13e eeuw heeft bestaan. Het dorp wordt in elk geval niet in de 9e eeuwse goederenlijst genoemd, die het bestaan van Haltna, Tuur en Lorek rond 857 bevestigen. Ook zijn er vrijwel geen archeologische opgravingen van Westrum.

Het dorpje bestond waarschijnlijk uit een hofstede (Westerhem) met daaromheen kleine boerderijen. Westerhem wordt in het jaar 1226 genoemd als de Graaf Walter van Goye zijn tienderecht afstaat aan de St. Mariakerk in Utrecht, na een geschil met deze kerk. Het land van Westrum wordt in 1446 nog genoemd (bron).

Locatie Westrum
Waar het precies heeft gelegen is onbekend. Gezien de gedetailleerde hoogtekaart zou het enkele honderden meters ten oosten van de huidige metalen constructie hebben gelegen. De locatie van Westrum is vooral afgeleid uit een kaart uit 1640, waar de namen van verschillende stukken land staan genoemd. De weidegrond van het dorpje liep van Schoneveld in het westen tot net voorbij Wickenburgh in het oosten.

De Westrummerhofstede viel onder het gezag van het gouw Opgooi, dat werd bestuurd vanuit het kasteel in het huidige Goysedorp. Aan de oostkant van het Goysedorp lag tegenhanger Oostrum.

Ten oosten van Westrum is langs de Hoogdijk het graf gevonden van een vrouw uit de 7e eeuw. Er was hier dus al in de vroege middeleeuwen incidentele bewoning, net zoals bij Loerik.

In 1227 wordt gesproken over het dorpje Westerhem. Westrum en Westrummer hofstedeland worden in de 15e en 16e eeuw nog een aantal keer genoemd. Het gaat dan meer over een stuk land. Het dorpje zelf is geleidelijk verdwenen.

Romeinse tijd
Ook uit fosfaatmetingen blijkt dat er ook in de Romeinse tijd bewoning is geweest op deze locatie. Deze bewoning stond als lintbebouwing langs een geul die vanaf de Tiendweg naar de fietserstunnel bij de Schalkwijkseweg liep en daar afboog richting de huidige locatie van de stadsverwarming. Bij proefboringen op het terrein vlak naast de Tiendweg is een stenen fundering aangetroffen. Archeologen vermoeden dat hier een Romeins gebouw heeft gestaan. Westrum is waarschijnlijk ontstaan in de nabijheid van dit gebouw.

De vroegste sporen in dit gebied gaan terug tot in de Late Bronstijd (-1100 tot -800). Ook in de IJzertijd was er bewoning. Een teken dat dit hoger gelegen gebied langs een restgeul altijd interessant is geweest voor bewoning.

Bron: Oud Houten.nl Westrum


In 1996 werden voor het zuidoostelijke kwadrant van Houten diverse wijknamen vastgesteld.

Voor bouwprojecten in de buurt De Mossen werd voor de wijknaam Hofstad gekozen.

Deze naam is een afkorting afkomstig van het middeleeuwse dorp of gehucht Westrum. Ook wel Westrummerhofstad of Westrummerhofstede geheten. Ooit gelegen ten zuidoosten van de buurten De Mossen en De Grassen. Over de geschiedenis hiervan heb je hierboven kunnen lezen.

Het eerdere idee was om de wijk Westrummerhofstad te laten noemen. Maar aangezien de toenmalige nieuwbouwwijk Hofstad in het zuidoostelijk kwadrant van Houten Zuid ligt. Was het in geografische zin te apart om een wijk die in het oosten ligt de naam Westrummerhofstad te laten heette.

Hierdoor werd door de toenmalige gemeenteraad van Houten in 1996 besloten om de wijk een afgeleide naam van zijn eerdere bedachten naam mee te geven.

Te noemen nieuwbouwwijk 'Hofstad'.

Bij herziening van de wijkindelingen en buurten in 2011 in opdracht van het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft de gemeente Houten de wijknamen die eerder waren vastgesteld bij collegebesluit van burgemeester en wethouders op dinsdag 13 maart 2012 ingetrokken.

Na deze dag werd de wijknaam Overdam niet meer gebruikt in de administratie.

Na dit besluit werd De Mossen een buurt van de wijk Houten Zuidoost.





Naambetekenis Westrum 

De topografische betekenis van de naam Westrum gaat bij west terug op de locatie waar het dorpje lag. In tegenstelling tot het dorpje Oostrum. Ooit gelegen aan het eind van het Groenedijkje in het oude 't Goy. En strum is het het oud inheemse Nederlandse woord voor woonplek, woonplaats of vestigingsplaats.

Hofstad of hofstede gaat terug op het hoofdgebouw waar de drost of meijer woonde die de beheerder was van het gehucht of dorp.

Ten oosten van Westrum lag tot 1300 het kasteel Westenstein. Het voorlopende kasteel van landgoed Wickenburgh. Hierin herinnert de naam van het landgoed op terug als 'de verdwenen burcht'. Wick = wijken = verdwijnen en burg = burcht = kasteel (stein).




 

  Buurt De Grassen

Buurtnaam thema: diverse soorten gras


De Grassen geportretteerd op dinsdag 8 augustus 2006, door Sander van Scherpenzeel.



1.   Het Gras - De term gras of grasachtige plant kan gebruikt worden voor andere groene planten dan de leden van de grassenfamilie als deze lijnvormige bladeren hebben. Sommige 'echte' grassen hebben echter een voor de familie minder karakteristiek vorm.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.


2.   Baardgras - Polypogon monspeliensis, algemeen bekend als jaarlijks baardgras of jaarlijks konijnenpootgras, is een grassoort. Het is inheems in Zuid-Europa, maar is tegenwoordig over de hele wereld te vinden als een geïntroduceerde soort en soms als een schadelijk onkruid. Het is een eenjarig gras dat groeit tot hoogtes tussen de 5 centimeter en een meter. De zachte, donzige bloeiwijze is een dichte, groenachtige, pluimachtige pluim, soms verdeeld in lobben. De aartjes hebben lange, dunne, witachtige voortenten, die de bloeiwijze zijn textuur geven.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001 en bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 11 december 2018.





3.   Blauwgras - Blauwgras (Sesleria albicans) staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als uit Nederland verdwenen. De plant is in Nederland voor het laatst gezien in het wild in 1986. De soort komt nog wel elders in Europa voor, zoals in Noord-Ierland, Duitsland en België. Blauwgras wordt gekweekt en in siertuinen aangeplant, vaak in rotstuintjes.

Blauwgras groeit in dichte pollen en wordt 5-50 cm hoog. De plant vormt korte wortelstokken (rizomen). De bladeren hebben een ruwe rand. De plant bloeit van april tot mei met blauwachtig gekleurde aren.

De plant groeide in Nederland op droge, kalkhellingen in Zuid-Limburg. 

De zogenaamde blauwgraslanden, die tot in het midden van de 20ste eeuw nog wijd verspreid waren over grote delen van Nederland, ontlenen hun naam niet aan de kleur van het blauwgras, maar hebben deze te danken aan het blauwige waas van de massaal erop voorkomende zeggesoorten, te weten zeegroene zegge (Carex flacca), zwarte zegge (Carex nigra) en vooral blauwe zegge (Carex panicea).


Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.

4.   Borstelgras - Borstelgras (Nardus stricta) is een vaste plant die behoort tot de grassenfamilie (Poaceae). De soort staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als algemeen voorkomend maar sterk afgenomen. De plant komt van nature voor op het noordelijk halfrond. In Zuid-Holland en Zuid-Limburg is de plant zeer zeldzaam.

Borstelgras groeit in dichte pollen en wordt 10-40 cm hoog. De dunne stengels staan rechtop en zijn meestal alleen aan de voet met bladeren bezet. De borstelvormige, ruwe bladeren zijn grijsgroen. Het drienervige, afgeknotte tongetje is 0,9 mm lang.

De plant bloeit in mei en juni met 3-8 cm lange, groene of paarsachtige aren. De 7-15 mm lange aartjes staan in twee rijen aan één zijde van de as. Het onderste, driehoekige kelkkafje heeft een brede voet dat met de stengel is vergroeid. Het bovenste kelkkafje ontbreekt of is zeer klein. Het onderste, genaalde kroonkafje is 9 mm lang en het bovenste 5 mm.


De stempels zijn ongeveer 8 mm lang. De vrucht is een graanvrucht. Borstelgras komt voor op arme, droge, zure gronden langs heidepaden en in blauwgrasland, ook wel pijpenstrootjesgrasland genoemd.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001 en bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 11 december 2018.




5.   Buntgras - Buntgras (Corynephorus canescens) is een dicht pollen-vormende vaste plant die behoort tot de grassenfamilie (Gramineae of Poaceae). De soort is goed aangepast aan droge omstandigheden. De plant komt van nature voor in het westen van Europa, vanaf Zuid-Scandinavië tot in het Middellandse Zeegebied. De soort staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als algemeen voorkomend en matig afgenomen. De plant is zo smakeloos dat hij zelfs niet door schapen wordt gegeten. Het aantal chromosomen is 2n = 14.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27 maart 2001.


6.   Citroengras - Citroengras of Sereh (Cymbopogon citratus) is een plant uit de grassenfamilie (Poaceae). De soort wordt gebruikt in de Aziatische keuken, met name de Thaise, Indische, Vietnamese en Indonesische keuken. De plant is bekend van groeiplaatsen in India, Afrika, Vietnam, Australië en Amerika.

De bladeren van de plant worden gebruikt in de keuken. Ze hebben een zure, frisse, citroenachtige smaak. Het kruid is ook in poedervorm verkrijgbaar. Citroengras wordt niet rauw gegeten. Doorgaans worden stukken citroengras meegekookt of -gestoofd in gerechten, waaruit ze vóór consumptie van de gerechten verwijderd worden.

De Indonesische naam is serai. In Nederland wordt meestal de benaming sereh gebruikt.

Etherische olie van citroengras wordt door imkers gebruikt om bijenzwermen in lokkorven te lokken.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.

 


7.    Doddegras - Doddengras (Phleum) is een geslacht uit de grassenfamilie (Poaceae). De soorten van dit geslacht komen voor in delen van Europa, Afrika, Azië en Amerika.

In Nederland komen twee soorten voor: Zanddoddengras (Phleum arenarium) Phleum pratense met de ondersoorten Timoteegras (Phleum pratense subsp. pratense) Klein timoteegras (Phleum pratense subsp. serotinum).

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.


8.   Dwerggras - Dwerggras (Mibora minima, synoniem: Chamagrostis minima) is een eenjarige plant uit de grassenfamilie. De soort komt voor in West-Europa. Zuid- en Zuidwest-Europa en in Noord-Afrika en is van daaruit verder verspreid naar Noord-Amerika. De noordgrens van het verspreidingsgebied van de soort in Europa loopt door Nederland. De soort staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als zeer zeldzaam en stabiel of toegenomen. Het aantal chromosomen is 2n = 14.

De polvormende plant wordt 3 - 15 cm hoog en heeft dunne, rechtopstaande stengels met 2 - 3 knopen. De korte, 1 - 2 cm lange en ongeveer 0,5 mm brede bladeren zijn vaak ingerold en hebben een afgeronde top. De bladschede heeft een 0,2 - 1 mm lang en 0,5 mm breed en stomp tongetje. 

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.





9.   Fakkelgras - Fakkelgras (Koeleria) is een geslacht uit de grassenfamilie (Poaceae). De soorten van dit geslacht komen voor in Europa, Afrika, Oost-Azië, Siberië en Nieuw-Zeeland.Het geslacht werd genoemd naar de Duitse botanicus Georg Ludwig Koeler.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.


10.   Hardgras - Hardgras (Catapodium) is een geslacht uit de grassenfamilie (Poaceae). De soorten van dit geslacht komen voor in delen van Afrika, Amerika, Australië, Azië en Europa.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.


11.   Honinggras - Witbol (Holcus) of Honinggras is een geslacht uit de grassenfamilie (Poaceae). De soorten van dit geslacht komen voor in delen van Afrika, Zuidwest-Azië en Zuid-Europa.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 11
december 2018.





12.   Kamgras - Kamgras (Cynosurus cristatus) is een vaste, zodevormende plant die behoort tot de Grassenfamilie (Gramineae of Poaceae). Ze staat op de Nederlandse Rode lijst van planten
als algemeen voorkomend, maar sterk afgenomen. Kamgras is te herkennen 
aan de insnoering van de bladschijf. De plant is tamelijk goed bestand 
tegen betreden, maar gaat in strenge winters dood. Het aantal chromosomen is 2n = 14.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.


13.   Kortgras - Gras in kort voormaat.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 11 december 2018. 


14.   Kuilgras - Kuilgras bestaat uit gras dat in een sleufsilo, graskuil of in balen door melkzuurgisting wordt geconserveerd. Voor het maken van een graskuil wordt een zogenaamde kuilvoersnede van het grasland geoogst. Per jaar kunnen van hetzelfde perceel 5 tot 6 sneden genomen worden, als er niet tussendoor geweid wordt.

Vaak wordt gemaaid met een maaikneuzer om het droogproces te versnellen. Na het maaien wordt het gras 1 tot 2 dagen op het veld gedroogd tot een drogestofgehalte van ongeveer 50% is bereikt. Om een snelle droging te krijgen wordt het gras enkele malen geschud. 

Vervolgens wordt het gras op rijen geharkt en met een opraapwagen van het grasland gehaald en naar een kuil getransporteerd.

Kuilgras wordt overwegend in de wintermaanden aan koeien gevoerd.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 11

december 2018. 

  


15.   Kweekgras - Kweekgras (Elytrigia) is een geslacht uit de grassenfamilie (Poaceae). De twintig tot veertig soorten van dit geslacht komen voor in delen van Europa en Azië. 

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.


16.   Kweldergras - Kweldergras (Puccinellia) is een geslacht uit de grassenfamilie (Poaceae). De soorten van dit geslacht komen verspreid over de wereld voor.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 15 mei 2018.




17.   Liesgras - Liesgras (Glyceria maxima, synoniem: Glyceria aquatica) is een vaste plant, die behoort tot de grassenfamilie (Poaceae). Het is de grootste Glycera-soort. De plant komt van nature voor in Europa en Azië en heeft zich als invasieve soort verder over de wereld verspreid. Voor aanplant in vijvers in de siertuin is er de cultivar Glyceria maxima 'Variegata'.

De plant wordt 0,9-2 m hoog, heeft een holle stengel en vormt lange uitlopers. Van de holle stengel is een fluitje te maken door met een scheermesje een lengtesnede in een stukje te maken. De glanzend, helder groene bladeren zijn 25-60 cm lang. De bladschede is rolrond of naar boven zwak afgeplat. Het tongetje (ligula) is breed afgerond en meestal in een lange punt uitlopend.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 11 december 2018. 


18.   Pampagras - Het geslacht pampasgras (Cortaderia) telt ongeveer 25 soorten van het Zuidelijk Halfrond, waarvan de meeste in Zuid-Amerika, enkele in Nieuw-Zeeland en één in Nieuw-Guinea. Het zijn planten van grasvlaktes (pampa's) en bergen.

In onze tuinen staan vooral de vrouwelijke exemplaren van Cortaderia selloana. Dit siergras is namelijk tweehuizig en de vrouwelijke pluimen die wat groter zijn en meer pluizig, vindt men over het algemeen fraaier dan de vuilwitte pluimen van de mannelijke planten. De randen van de grashalmen zijn vlijmscherp: cortador is Spaans voor snijder. De soortsaanduiding heeft dit pampasgras te danken aan zijn ontdekker: de in Pruisen geboren botanicus en plantenjager Friedrich Sello.

In Nederland en België zijn de planten goed bestand tegen vorst en wind (zelfs zeewind) en kunnen groeien op vrijwel elke grondsoort (bodemvaag) in de volle zon, met een voorkeur voor in de zomer vochtige, maar goed doorlatende gronden. Van oorsprong is het gras niet gewend aan veel vocht in de winter en het is daarom dat tuiniers de pol wel samenbinden, zodat er weinig winterse neerslag in het hart van de plant kan komen ter voorkoming van wortelrot. In het voorjaar kunnen het oude blad en de pluimen geknipt worden, om ruimte te maken voor nieuwe groei.



Met zijn statige voorkomen gedurende een groot deel van het jaar is het een uitstekende solitair. Er zijn verschillende rassen in de handel: 'Rosea' heeft lichtroze pluimen, 'Pumila' is een dwergvorm die tot ongeveer 1.25 meter wordt. Een grotere soort (tot ongeveer 3.5 m hoog) is 'Sunningdale Silver' met dikke witte pluimen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.

 







19.   Parelgras - Parelgras (Melica) is een geslacht van planten die behoort tot de grassenfamilie (Poaceae) en omvat ongeveer 96 soorten.

Parelgrassen zijn vaste planten, die pollen of losse zoden vormen, vaak met ondergrondse uitlopers. De bladeren zijn vlak of gevouwen en tot 30 cm lang. De halmen worden tot 100 cm lang. De knopen zijn meestal kaal.

De bloeiwijze is trosvormig of weinig vertakt met een niet opgeblazen as. De vijfnervige kelkkafjes zijn ongeveer even lang als het aartje. Het aartje bestaat uit 1 of 2 tweeslachtige bloemen met daarnaast een gesteelde, knotsvormige, steriele bloem.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.


20.   Prairiegras - Schizachyrium scoparium, beter bekend als weinig bluestem of baard gras, is een Noord-Amerikaanse prairie gras inheems aan het grootste van de Verenigde Staten, met uitzondering van Californië, Nevada, en Oregon, en een klein gebied ten noorden van de Canadees-Amerikaanse grens.

Het komt het meest voor in de prairies van het Midwesten . Little bluestem is een meerjarige bosgras en is prominent aanwezig in tallgrass-prairie , samen met grote bluestem ( Andropogon gerardi ), indiangrass ( Sorghastrum nutans ) en switchgrass ( Panicum virgatum ). Is een warm seizoen species, wat betekent dat het gebruik C 4 fotosynthese route.



Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.

21.   Raaigras - Raaigras (Lolium) is een geslacht dat behoort tot de grassenfamilie (Poaceae). Het geslacht komt voornamelijk voor in Eurazië, met enkele soorten in Amerika, Noord-Afrika en Australië.

Veel soorten zijn zeer voedselrijk en worden daarom gebruikt in weilanden en als hooi voor het vee. Het is het belangrijkste weidegras in Nieuw-Zeeland, waar jaarlijks 10 miljoen kilo zaad wordt geproduceerd. Ook wordt het ingezet om erosie van de bodem tegen te gaan. Sommige soorten worden beschouwd als onkruid, die een fors nadelige invloed kunnen hebben op de productie van tarwe en andere granen. Sommige soorten worden gebruikt als gazongras. Engels en Italiaans raaigras wordt ingezaaid als voedergras.

Het pollen van raaigras is een van de belangrijkste veroorzakers van hooikoorts. Het stuifmeel wordt verspreid door de wind.

Het geslacht is nauw verwant met zwenkgras (Festuca), speciaal met beemdlangbloem (Festuca pratensis), waarmee het hybriden kan vormen. Zo is trosraaigras of festulolium (x Festulolium loliaceum) de vrij zeldzame hybride tussen beemdlangbloem en Engels raaigras.

Soorten die in Nederland voorkomen of voorkwamen: Dolik (Lolium temulentum) (Na 1949 verdwenen uit Nederland, alleen nog maar adventief) Engels raaigras (Lolium perenne)

Italiaans raaigras (Lolium multiflorum); tweejarig Westerwolds raaigras (Lolium multiflorum); eenjarig Vlasdolik (Lolium temulentum subsp. remotum) (Na 1949 verdwenen uit Nederland)



Het Engelse raaigras kan geïnfecteerd raken met toxicogene schimmels (Mycotoxine) en raaigraskramp of "rye grass staggers" veroorzaken.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.


 


22.   Schaduwgras - Schaduwgras kan goed tegen schaduw en is goed bestand tegen zonlicht en droogte.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27

maart 2001 en bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 11 december 2018.


23.    Speelgras - Grassoort bestaande uit diverse grassoorten om een goed speeloppervlak voor kinderen te vormen.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 11 december 2018. 


24.   Strekgras - Varkensgras (Polygonum) of Strekgras is een geslacht van kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie (Polygonaceae). Het geslacht komt wereldwijd zeer algemeen voor, met name in de gematigde streken.

De botanische naam Polygonum betekent "veel knieën" (van Oudgrieks 'poly' = veel en 'gonu' = knie). De stengel vertoont dan ook veel knopen, ook wel knieën genoemd.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 11 december 2018. 


 


25.   Vedergras - Een siergras is een grasachtige plant die vanwege de bijzondere decoratieve waarde wordt toegepast. Voorbeelden van siergras zijn diverse soorten Miscanthus (prachtriet), Cortaderia (pampasgras), Carex (zegge), Molinia (pijpenstrootje), Festuca (zwenkgras), Panicum (vingergras), Pennisetum (lampepoetsergras) en Stipa (vedergras). Ook bamboe, dat al eeuwenlang in de Japanse tuincultuur wordt toegepast, valt in botanisch opzicht onder de grassen (Poaceae) en is dus feitelijk een siergras.

In de tuinkunstgeschiedenis is de toepassing op grotere schaal van siergrassen een relatief laat verschijnsel. Ofschoon in diverse bronnen uit de 17e en 18e eeuw al melding wordt gemaakt van grassen die traditionele borders kunnen opsieren, ontstaat pas in de 20ste eeuw serieus aandacht voor de sierwaarde van diverse grassoorten. 

Aan de basis van die ontwikkeling stond Karl Foerster (1874-1970) die als kweker en tuinontwerper veel heeft bijgedragen aan de waardering van het grotere publiek voor de natuurlijke uitstraling van grassen. Zijn landgenoot Ernst Pagels deed pionierswerk voor wat betreft de introductie van vele rassen van Miscanthus sinensis. Tot de vooraanstaande hedendaagse tuinarchitecten die veel gebruikmaken van siergrassen behoort de Nederlander Piet Oudolf (1944).

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.



26.   Vlotgras - Getand vlotgras (Glyceria declinata, synoniem: Glyceria fluitans subsp. declinata) is een overblijvende plant die behoort tot de grassenfamilie (Poaceae). De plant komt van nature voor in West-, Zuidwest- en Midden-Europa en op Madeira, in Australië en in Noord-Amerika. Getand vlotgras staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als algemeen voorkomend en stabiel of toegenomen. Het aantal chromosomen 2n = 20.

Stomp vlotgras of geplooid vlotgras (Glyceria notata, synoniem: Glyceria plicata) is een overblijvende plant die behoort tot de grassenfamilie (Poaceae). De plant komt van nature voor in Europa, Zuidwest-Azië en Noordwest-Afrika. Stomp vlotgras staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als algemeen voorkomend en stabiel of toegenomen. Het aantal chromosomen 2n = 40.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27
maart 2001.





Westrummerhofstede

Westrum(merhofstede) was een klein dorpje uit de middeleeuwen dat ten zuiden van de wijk De Mossen lag. Ter herinnering heeft de gemeente Houten een metalen constructie in het weiland geplaatst. Over Westrum is relatief weinig bekend en zijn veel vermoedens.

Historici vermoeden dat Westrum tussen de 10e en 13e eeuw heeft bestaan. Het dorp wordt in elk geval niet in de 9e eeuwse goederenlijst genoemd, die het bestaan van Haltna, Tuur en Lorek rond 857 bevestigen. Ook zijn er vrijwel geen archeologische opgravingen van Westrum.

Het dorpje bestond waarschijnlijk uit een hofstede (Westerhem) met daaromheen kleine boerderijen. Westerhem wordt in het jaar 1226 genoemd als de Graaf Walter van Goye zijn tienderecht afstaat aan de St. Mariakerk in Utrecht, na een geschil met deze kerk. Het land van Westrum wordt in 1446 nog genoemd (bron).

Locatie Westrum
Waar het precies heeft gelegen is onbekend. Gezien de gedetailleerde hoogtekaart zou het enkele honderden meters ten oosten van de huidige metalen constructie hebben gelegen. De locatie van Westrum is vooral afgeleid uit een kaart uit 1640, waar de namen van verschillende stukken land staan genoemd. De weidegrond van het dorpje liep van Schoneveld in het westen tot net voorbij Wickenburgh in het oosten.

De Westrummerhofstede viel onder het gezag van het gouw Opgooi, dat werd bestuurd vanuit het kasteel in het huidige Goysedorp. Aan de oostkant van het Goysedorp lag tegenhanger Oostrum.

Ten oosten van Westrum is langs de Hoogdijk het graf gevonden van een vrouw uit de 7e eeuw. Er was hier dus al in de vroege middeleeuwen incidentele bewoning, net zoals bij Loerik.

In 1227 wordt gesproken over het dorpje Westerhem. Westrum en Westrummer hofstedeland worden in de 15e en 16e eeuw nog een aantal keer genoemd. Het gaat dan meer over een stuk land. Het dorpje zelf is geleidelijk verdwenen.

Romeinse tijd
Ook uit fosfaatmetingen blijkt dat er ook in de Romeinse tijd bewoning is geweest op deze locatie. Deze bewoning stond als lintbebouwing langs een geul die vanaf de Tiendweg naar de fietserstunnel bij de Schalkwijkseweg liep en daar afboog richting de huidige locatie van de stadsverwarming. Bij proefboringen op het terrein vlak naast de Tiendweg is een stenen fundering aangetroffen. Archeologen vermoeden dat hier een Romeins gebouw heeft gestaan. Westrum is waarschijnlijk ontstaan in de nabijheid van dit gebouw.

De vroegste sporen in dit gebied gaan terug tot in de Late Bronstijd (-1100 tot -800). Ook in de IJzertijd was er bewoning. Een teken dat dit hoger gelegen gebied langs een restgeul altijd interessant is geweest voor bewoning.

Bron: Oud Houten.nl Westrum


In 1996 werden voor het zuidoostelijke kwadrant van Houten diverse wijknamen vastgesteld.

Voor bouwprojecten in de buurt De Mossen werd voor de wijknaam Hofstad gekozen.

Deze naam is een afkorting afkomstig van het middeleeuwse dorp of gehucht Westrum. Ook wel Westrummerhofstad of Westrummerhofstede geheten. Ooit gelegen ten zuidoosten van de buurten De Mossen en De Grassen. Over de geschiedenis hiervan heb je hierboven kunnen lezen.

Het eerdere idee was om de wijk Westrummerhofstad te laten noemen. Maar aangezien de toenmalige nieuwbouwwijk Hofstad in het zuidoostelijk kwadrant van Houten Zuid ligt. Was het in geografische zin te apart om een wijk die in het oosten ligt de naam Westrummerhofstad te laten heette.

Hierdoor werd door de toenmalige gemeenteraad van Houten in 1996 besloten om de wijk een afgeleide naam van zijn eerdere bedachten naam mee te geven.

Te noemen nieuwbouwwijk 'Hofstad'.

Bij herziening van de wijkindelingen en buurten in 2011 in opdracht van het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft de gemeente Houten de wijknamen die eerder waren vastgesteld bij collegebesluit van burgemeester en wethouders op dinsdag 13 maart 2012 ingetrokken.

Na deze dag werd de wijknaam Overdam niet meer gebruikt in de administratie.

Na dit besluit werd De Mossen een buurt van de wijk Houten Zuidoost.





Naambetekenis Westrum 

De topografische betekenis van de naam Westrum gaat bij west terug op de locatie waar het dorpje lag. In tegenstelling tot het dorpje Oostrum. Ooit gelegen aan het eind van het Groenedijkje in het oude 't Goy. En strum is het het oud inheemse Nederlandse woord voor woonplek, woonplaats of vestigingsplaats.

Hofstad of hofstede gaat terug op het hoofdgebouw waar de drost of meijer woonde die de beheerder was van het gehucht of dorp.

Ten oosten van Westrum lag tot 1300 het kasteel Westenstein. Het voorlopende kasteel van landgoed Wickenburgh. Hierin herinnert de naam van het landgoed op terug als 'de verdwenen burcht'. Wick = wijken = verdwijnen en burg = burcht = kasteel (stein).