Stichting Houtense Hodoniemen

Onderzoekt straatnamen, boerderijen, onroerend goed en adellijke families in Houten en omgeving

Familie Strick van Linschoten van Rhijnauwen

Familiewapen Strick van Linschoten. Bron: Wikipedia.Familiewapen Strick van Linschoten. Bron: Wikipedia.
Naambetekenis

Strick: Familienaam uit de algemene plaatsnaam, van Germaanse striki; streep, (land)streek; 'streek'. Plaatsnaam in Elene, Velzeke, Scheldewindeke, Meerbeke, Michelbeke
(Oost-Vlaanderen). Streek in Vissenaken (Vlaams-Brabant), Strikken in Merksplas (Antwerpen). 2. Familienaam uit Stricht: Maastricht (Nederlands-Limburg) of,

Beroepsbijnaam, beroepsnaam van de strijker, de beambte belast met het (glad)strijken van het laken (lakenmeter) of van de korenmaat (korenmeter). 2. Bijnaam van een strikker, die strikt, knoopt. Vergelijk Duits stricken ‘breien’. Bron: Volkoomen.nl Familienamen

Strik kan ook de betekenis hebben een 'strik/valstrik' om een dier te vangen. Of een knoop/strik die men maakt met een schoenveter bij het strikken van de schoenen. Het knopen van een vlinder das in misschien wel de bekendste betekenis: een vlinderdas of vlinderstrik is een type das die door heren op de boord van een overhemd wordt gedragen. Dit type das dankt zijn naam aan zijn vorm, die enigszins op die van een vlinder lijkt. In de volksmond spreekt men doorgaans van een strikje wanneer men de vlinderdas bedoelt. Bron: Wikiepdia.nl (Vlinderdas)

Linschoten: is een dorp dat onderdeel is van de gemeente Montfoort in de Nederlandse provincie Utrecht. Linschoten is gelegen aan de N204 tussen Woerden en Montfoort. In het dorp gaat het riviertje de Lange Linschoten over in de Korte Linschoten.

Linschoten wordt voor het eerst genoemd in 1172 als Lindescote, een samenvoegsel van Linde (de naam van een riviertje) en scote (een stuk land dat uitkomt boven het laagland). Hoewel er in 1270 pas voor het eerst een vermelding is van een versterkt Huis te Linschoten, was dit er waarschijnlijk ook al in 1172. Bron: Wikipedia.nl Linschoten (Dorp)

Germaans lindo: linde, skauta: beboste hoek land uitspringend in het laagland, of een waternaam Linde: de zachtjes stromende. Bron: Volkoomen.nl Familienamen

Rhijnauwen: natte weidegrond (uiterwaarden) langs de (Kromme) Rijn.

Adriaan Strick van Linschoten

Portret van Adriaan Strick van Linschoten (1650-1724). Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.Portret van Adriaan Strick van Linschoten (1650-1724). Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.




Portret van Adriaan Strick van Linschoten (1650-1724), Heer van Linschoten raad in de vroedschap, schepen en burgemeester van Utrecht.

Bewoner geweest van Huize Nieuw-Linschoten. Hij is de grootvader van Jhr. Jan Balthasar Strick van Linschoten van Rhijnauwen.




 Johan Hendrik Strick van Linschoten

Portret van Johan Hendrik Strick van Linschoten (1687-1759). Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.Portret van Johan Hendrik Strick van Linschoten (1687-1759). Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.




Portret van Johan Hendrik Strick van Linschoten (1687-1759), schilderij uit 1736. Johan Hendrik is de zoon van Adriaan Strick van Linschoten en de vader van Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten van Rhijnauwen.



Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten van Rhijnauwen

Portret van Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten van Rhijnauwen (1734-1820), met rechts op de achtergrond het huis Rhijnauwen.

Op 2 oktober 1772 kocht Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten Landgoed Rhijnauwen van de Amsterdamse edelman David ten Hove, Heer van Sleeburg, Den Bosch en Den Breur.

Advocaat van het Hof van Utrecht Jacob Smit trad op als gemachtigde voor Ten Hove.

De rest van het vast-, en onroerendgoed van Rhijnauwen kocht Jhr. Jan Baltahazar Strick van Linschoten aan van Ten Hove op 4 janauri 1773. Waaronder ook boerderij De Uithof.               

Jhr. Jan Balthazar was van beroep Deken van het kaipittel van St. Pieter.

Bij Koninklijk Besluit, 's-Gravenhage 8 juli 1816, nr. 57. werd Jan Balthazar Strick van Linschoten Landgoed Rhijnauwen verheven tot jonkheer en zijn nazaten tot jonkheer en jonkvrouw.

Portret van Charlotta Martha van Utenhove (1743-1788), echtgenote van Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten. Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.Portret van Charlotta Martha van Utenhove (1743-1788), echtgenote van Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten. Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.

Bron: Wapenregister van de Nederlandse Adel, W BOOKS




Portret van Charlotta Martha van Utenhove (1743-1788), echtgenote van Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten.

 


Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen





Portret van Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen (1790-1850). De zoon van Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten geboren uit zijn tweede huwelijk.

Jhr. Hendrik Strick van Linschoten van Rhijnauwen

Jhr. Hendrik Strick van Linschoten van Rhijnauwen (1827-1889). Bron: Het Utrechts Archief 29-33 83.Jhr. Hendrik Strick van Linschoten van Rhijnauwen (1827-1889). Bron: Het Utrechts Archief 29-33 83.



Portret van Jhr. Hendrik Strick van Linschoten van Rhijnauwen (1827-1889). Zoon van Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen. Echtgenoot van Agatha Henrietta van Notten. Vader van Jhr. Carel Johan Strick van Linschoten van Rhijnauwen en Jkvr. Agatha Johanna Elisabeth Strick van Linschoten van Rhijnauwen.



Jhr. Carel Johan Strick van Linschoten van Rhijnauwen

Jhr. Carel Johan Strick van Linschoten van Rhijnauwen (1853-1910)  Foto: nmm.nlJhr. Carel Johan Strick van Linschoten van Rhijnauwen (1853-1910) Foto: nmm.nl




Dit is Jhr. Carel Johan Strick van Linschoten van Rhijnauwen (1853-1910). Hij is de kleinzoon van Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten. Carel Johan was de laatste in mannelijke lijn die Landgoed Rhijnauwen in eigendom had. Na zijn overlijden verkocht zijn echtgenote J.H.A. Geertsema het landgoed in 1919 aan gemeente Utrecht. Tot haar overlijden in 1933 zou zij er blijven wonen.





 Gezin Strick van Linschoten van Rhijnauwen

Jhr. Carel Johan Strick van Linschoten van Rhijnauwen en zijn echtgenote J.H.A. Geertsema staande op de brug over de Kromme-Rijn voor het landgoed omstreeks 1910. Staande links vermoedelijk hun dochter Jkvr. Arendina Strick van Linschoten. Bron: Catawiki.nlJhr. Carel Johan Strick van Linschoten van Rhijnauwen en zijn echtgenote J.H.A. Geertsema staande op de brug over de Kromme-Rijn voor het landgoed omstreeks 1910. Staande links vermoedelijk hun dochter Jkvr. Arendina Strick van Linschoten. Bron: Catawiki.nl

Jkvr. Arendina Strick van Linschoten





Jkvr. Arendina Strick van Linschoten (1887-1971) in 1912 met haar hond Sascha de Barrio. Dochter van Jhr. Carel Johan Strick van Linschoten van Rhijnauwen en J.H.A. Geertsema. Bron: Catawiki.nl











Geschiedenis Landgoed Rhijnauwen

Geschiedenis

Evenals Nieuw- en Oud-Amelisweerd is Rhijnauwen in oorsprong een versterkt huis, waarschijnlijk reeds voor 1212 gebouwd op de oeverwal langs de Kromme Rijn, als centrum van een ontginningsheerlijkheid. De oudst bekendebewoner is Jacob van Lichtenberg, schepen van Utrecht. Zijn dochter Aleyd bracht door haar huwelijk met de Zeeuwse edelman Jan van Renesse het goed in1248 in het bezit van deze familie.In 1449 wordt het huis in opdracht van bisschop Rudolf van Diepholt verwoest, uit wraak voor een vermeende aanslag op de stad Utrecht door de toenmalige eigenaar Frederik van Renesse. Het middeleeuwse kasteel bestond uiteen omgrachte hoofd- en voorburcht.

De hoofdburcht bestond uit woonvleugels van twee verdiepingen op een onderbouw, gegroepeerd rond een binnenplaats, die aan de westzijde was afgesloten met een muur en een poortgebouw. Op de voorburcht stond een boerderij met stallen.

Na de verwoesting van 1449 werd het kasteel gedeeltelijk herbouwd. Aan de oostzijde twee grote woonblokken met inde hoek van de binnenplaats een traptoren met achtkante bovenbouw en hogespits; aan de zuidzijde, de rivierzijde een tweedelige vleugel, waarvan het tussen lid in 1596 waarschijnlijk vernieuwd of grondig verbouwd werd (gezien de gevelankers te zien op een gewassen krijttekening door R. Roghman uit ca 1647); aan de westzijde lag de poorttoren, die via een houten ophaalbrug en een stenenboogbrug toegang gaf tot de omgrachte voorburcht; de grootste en waarschijnlijk oudste vleugel aan de noordzijde, bleef nog twee eeuwen liggen als ruïne.

In 1536 kreeg Rhijnauwen heerlijkheidsrechten en werd officieel tot ridderhofstad verklaard.De toegang tot het kasteel liep niet via een brug over de Kromme Rijn, maar via een oprijlaan uit noordelijke richting, thans Rhijnauwenselaan/Vossegatsedijk. Deze hoofdlaan was niet op het hoofdgebouw gericht. Haaks op deze laan zijn in de loop van de 16de en 17de eeuw een drietal dwarslanen aangelegd, die het landgoed verdeelden in rechthoekige vakken , voornamelijk ingevuld met hakhout,weiland en boomgaard. Dit zou tot ver in de 18de eeuw zo blijven.

Na door huwelijk en vererving in handen van verschillende families te zijn geweest, werd in 1717 het landgoed Rhijnauwen eigendom van David ten Hove. Zijn zoon Melchior ging er na zijn huwelijk in 1718 wonen. Hij liet het nog middeleeuwse huis verbouwen tot een modern 18de eeuws herenhuis. De poorttoren en de traptoren, de zuidvleugel en de ruïne van de noordvleugel verdwijnen daarbij. De oostvleugel werd gewijzigd en naar het westen toe verdubbeld.

Zo ontstond een min of meer rechthoekig blokvormig huis met een symmetrisch front naar de vroegere voorburcht. De gracht rond de oorspronkelijke hoofdburcht bleef voorlopig gehandhaafd. In de loop van de 18de eeuw werd ook de boerderij op de voorburcht gesloopt, de stallen uitgebreid met poortgebouw en dienstwoningen de vierkante duiventoren gebouwd. Mogelijk is toen de hofstede Rhijnauwen gebouwd ter vervanging van de gesloopte boerderij.

Over de Kromme Rijn werd een bruggetje gelegd. Tevens werd het ‘Nieuw Bos’ aangelegd, twee vierkante bosketten in geometrische stijl, ten noorden van het hoofdgebouw aan de Rhijnauwenselaan. Aan de oostzijde van het hoofdgebouw kwam een even eens in geometrische stijl aangelegde tuin. Aan het einde van de 18de eeuw kwamen daar nog twee moderne slinger bosjes bij ten zuiden van de Rhijnauwenselaan.

Grafsteen van Hendrik van Utenhove, Heer van Amelisweerd. Steen gelegen in de Dorpskerk van Bunnik. Foto: Henk Blok.Grafsteen van Hendrik van Utenhove, Heer van Amelisweerd. Steen gelegen in de Dorpskerk van Bunnik. Foto: Henk Blok.

In 1772 werd Rhijnauwen verkocht aan Johan Balthazar Strick van Linschoten, gehuwd met barones van Utenhove, lid van de familie die op Nieuw-Amelisweerd woonde. In 1919 wordt het landgoed Rhijnauwen verkocht aan de gemeente Utrecht, samen met de bijbehorende boerderijen ‘Goed ten Rijn’, ‘Numeri’ (inmiddels afgebroken), de ‘Hofstede Rhijnauwen’, de ‘Hoge Boomgaard’, ‘De Uithof’, de hofstede aan de Hoofddijk, en ‘Boschhoeve’. Kort na de verkoop is aan het einde van de hoofdlaan aan de Kromme Rijn het theehuis gebouwd.

De brug over de Kromme Rijn is in de Tweede Wereldoorlog verwoest. Na de oorlog werd een noodbrug gebouwd, die in 1973 is vernieuwd. Het park is sinds 1953 voor het publiek opengesteld. Het hoofdgebouw een blokvormig herenhuis, is sinds 1933 in gebruik als jeugdherberg, waartoe intern enkele aanpassingen hebben plaatsgevonden.In 1975 is de zolder verbouwd en werd een ijzeren brandtrap geplaatst; in1981 zijn er kamers op zolder gemaakt; in 1983 is de keuken en in 1986 is het sanitair vernieuwd.

Beschrijving

Ondanks deze aanpassingen heeft het gebouw zijn hoofdvorm behouden en is de oorspronkelijke indeling zoveel mogelijk gehandhaafd. Karakteristiek is de symmetrisch ingedeelde voorgevel met nadruk op de ingangspartij. Een hardstenenbordestrap leidt naar de brede voordeur, waarboven een Empire snijraam. De schuifvensters hebben alle een 19de eeuwse. Empire, roeden verdeling. Aan de voorzijde zijn zij voorzien van Louvre-luiken. In het metselwerk van de zij- en achtergevel zijn nog sporen zichtbaar van oude raam tracéringen.

Bron: Bunnik Geschiedenis en Architect, Saskia van Ginkel-Meester, 1989, Kerckebosch Uitgeverij.

Familiegraf Strick van Linschoten van Rhijnauwen

Algemene Begraafplaats Bunnik
Provincialeweg 63
3981 AR Bunnik

Het begint allemaal op 12 november 1680 te Amsterdam met Mr. Josephus (Joseph) Loten die geboren wordt.

Portret van Joan Loten (1646-1724) Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.Portret van Joan Loten (1646-1724) Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.

Zoon van Joan Loten en Constantia Hoeuft. Hij  werd gedoopt in de Nederlands Hervormde Amstelkerk te Amsterdam op 17 november 1680. Op 16 januari van het jaar 1702 voerde Joseph als 21 jarige Onderkoopman voor de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) voor de Kamer van Zeeland op het schip de Oostersteijn naar Oost Indië. In oktober 1709 voerde Joseph
voor de Heren 17 kamer (VOC) naar Bengalen voor een zakelijke (fiscaal indepent) reis vanuit Amsterdam.

Bengalen is een regio in het noordoosten van het Indisch Subcontinent die is onderverdeeld in de Indiase staat West-Bengalen en het land Bangladesh. ZIjn reis hiernaar toe was volgens de beschrijvingen van een ‘aensienlijke en profitabele bedieninge’ geweest. Dus een goede en winstgevende zakenreis moet het zijn geweest.

Portret van Constantia Hoeufft (1648-1733) Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.Portret van Constantia Hoeufft (1648-1733) Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.

Als gerepatrieerden commandant van een retourvloot van 21 augustus 1721 werd Joseph bij thuiskomt kanunnik van het kapittel Ten Dom. Een Utrechtse kanunnik beheerde in de 17e en 18e eeuw de onroerende goederen die voor 1580 van de katholiek kerk waren geweest. Na de reformatie en het verbod om het Katholicisme in het openbaar te belijden. Joseph Loten overleed te Utrecht op 27 september 1730. Hij werd begraven in de Domkerk met 8 kwartieren. Dus 8 stenen rondom z’n eigen grafsteen waarop zijn voorouders beschreven stonden die ook van een hogere elite waren. In de 18e eeuw een soort ‘sociale reclame’ om te laten zien dat je als overleden van hogere komaf was.

Joseph Loten is drie keer getrouwd geweest de eerste keer met Alberta Pierraerd op 30 juli 1713. Alberta was de dochter van dhr. Lucas Pierraerd en Sara Breugel. Alberta overleed op 11 november 1716 te Bengalen.

Voor tweede keer trouwde Joseph in Batavia op 13 juli 1720 met Abigael Tant. Zij was de weduwe van Johan van der Niepoort een oud-secretaris van de hoge Nederlandse regering in Nederlands-Indië. Abigael overleed op 14 januari 1722 te Batavia.

De derde keer trouwde Joseph Loten op 11 april 1723 met Christina Clara Strick van Linschoten. Zij werd geboren op Huize Linschoten op 14 november 1688 als dochter van Adriaan Strick van Linschoten en Mevr. Cecilia van Gerwen. Christina overleed te Utrecht op 5 mei 1780.

Uit haar huwelijk met Joseph kwamen 2 kinderen voort:
een zoon Adriaan Loten, hij werd geboren op 29 april 1724 te Utrecht maar overleed ruim een maand later te Utrecht op 25 mei 1724.

Christina haar tweede kind was ze met Joseph kreeg was een dochter Constantia Johanna Loten zij werd geboren te Utrecht op 31 augustus 1725. Constantia trouwde op 2 april 1742 te Utrecht met Mr. François Doubleth jr., heer van Groeneveld, Mijnsheerenland en Moerkerken. Hij was de zoon François Doubleth sr. en Constantia van der Beeck. François Doubleth jr. werd geboren te Delft op 15 november 1715. François was geëligeerde van de  raad in de vergadering der Staten van Utrecht. Een geëligeerden was een gekozenen die tijdens de Middeleeuwen één van de vertegenwoordigers was van de vijf Utrechtse kapittels Ten Dom, Oudmunster, Sint-Pieter, Sint-Jan of Sint-Marie. Zij vormden het eerste lid van de Staten van Utrecht.

Na die tijd werd François jr. extraordinaris (ongewoon functionaris) van de raad van het Hof van Utrecht in 1747. In hetzelfde jaar is François jr. super-intendant (opper toezichthouder) van het St. Maria Magdalenaklooster te Wijk bij Duurstede. Als extra-ordinairis envoyé (diplomatieke vertegenwoordiger buiten de gewone dienst) reist hij af naar het Zweedse Hof in het jaar 1760. In dezelfde functie reist hij ook af naar Madrid waar hij ook in een onbekend jaar overleed. Zijn echtgenote Constantia Johanna Loten overleed op 2 april 1742 te Utrecht. Constantia en François hadden een kinderloos huwelijk.

Toen de vader van Constantia Joseph overleed in 1730 werd zij Vrouwe van de Heerlijkheid Bunnik en Vechten. Haar vader was voor 1730, Heer van Bunnik en Vechten. Constantie overleed op 36 jarige leeftijd. Haar titel Vrouwe van Bunnik en Vechten vererfde op haar nog levende moeder Jkvr. Christina Clara Strick van Linschoten de titel.

Op 22 september 1776 voor het Dorpsgerecht van Bunnik en Vechten ruim 3,5 jaar voor het overlijden van Christina Clara Strick van Linschoten ‘prelegateert (overdracht) zij aan Jhr. Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten, nagelaten zoon van haar neef Jhr. Daniel Jan Strick van Linschoten, de ambachtsheerlijkheid Bunnik en Vechten’. De zoon (Nicolaas Hendrik) van de neef (Daniel Jan) van Christina krijgt van zijn oudtante de ambachtsheerlijkheid Bunnik en Vechten in 1776.

Drie jaar eerder in 1772 koopt Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten Landgoed en Huize Rhijnauwen van David ten Hove een edelman uit Amsterdam. De verkoop wordt geleid door Jacob Smit advocaat aan het Hof van Utrecht. Jan Balthazar is de kleinzoon van Adriaan Strick van Linschoten eigenaar van huize Nieuw-Linschoten. Jan Balthazar zijn vader Jhr. Johan Hendrik Strick van Linschoten is de oudere broer van Jkvr. Christina Clara Strick van Linschoten. Zoals je eerder las droeg zij de ambachtsheerlijk over aan de zoon (Jhr. Nicolaas Hendrik) van de broer (Jhr. Daniel Jan) van Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten.

Jhr. Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten geboren 16 juli 1766 te Utrecht, overleed op 30 december 1837 op zijn kasteel IJsselstein op 71 jarige leeftijd.

Van oorsprong werden de edelen van de landgoederen Amelisweerd en Rhijnauwen bijgezet in de grafkelders van de tegenwoordige Protestantse Gemeente de ‘Oude Dorpskerk’ Kerkpad 2 te Bunnik. Tot ongeveer 1825 zouden zowel katholieke als protestantse inwoners van Bunnik hier begraven worden. Rond die tijd kreeg de katholieke gemeenschap een eigen parochie met kerk en kerkhof. In 1830 werd het kerkhof als begraafplaats gehuurd door de burgerlijke gemeente Bunnik voor de periode van 99 jaar, maar deze werd echter in 1890 al gesloten. In de meeste graven konden vier grote kisten of een dubbel aantal kleine kinderkisten, in de twee grote grafkelders dubbel zoveel.

De meeste mensen werden in Bunnik in de kerk begraven, slechts één op de tien vond zijn laatste rustplaats op het kerkhof. Aanvankelijk liep de rusttijd van een graf op tot gemiddeld zeventig jaar, maar rond 1800, toen Bunnik 600 inwoners telden en zo'n 12 doden per jaar in de kerk werden begraven, was de rusttijd teruggelopen naar hooguit twintig jaar.
De meeste families kenden bovendien familiegraven, wat betekende dat de overgebleven graven als huurgraven een snellere opeenvolging hadden. Daarnaast was er een onderscheid tussen katholieke en protestantse graven, wat ook eens de rusttijd verkortte.

De graven in de kerk zijn voor het grootste deel in 1845 geruimd.
De grote grafsteen van Rhijnauwen van eerder bewoners van het gelijknamige landgoed en huis kreeg een plek voor de toren van de Oude Dorpskerk.
Oude grafstenen buiten de kerk, waaronder dat van de familie Strick van Linschoten, werden in die periode verwijderd. De meeste stenen werden kapot geslagen of in enkele gevallen verkocht.

Uit deze tekst van René ten Dam en Henk Reinders over begraafplaatsen in Bunnik valt dus te lezen dat familie Strick eerder een familiegraf had buiten de kerk van Bunnik.

Vermoedelijk zal het in de eerste plaats een vrij simpele steen zijn geweest wat op het familiegraf lag. Omdat er vanaf 1829 officieel niet meer in de kerk begraven mocht worden werden de meeste bewoners van Bunnik begraven op het kerkhof.

In 1889 kocht de burgerlijke gemeente Bunnik een akker op de Bunnikse Engh van Jhr. Hendrik Strick van Linschoten van Rhijnauwen.
Deze akker lag aan de weg van Bunnik naar Utrecht buiten de bebouwde kom. Hier is sinds die tijd de algemene begraafplaats van de gemeente Bunnik gevestigd.
De jonkheer bedong met de verkoop van de akker de fraaiste plek voor zijn eigen familie. Om het familiegraf Strick van Linschoten op de mooiste plek van de begraafplaats aan te laten leggen. Hendrik overleed in 1889 vermoedelijk 'kort' na de aanleg van de begraafplaats. Hij werd in het familiegraf bijgezet. Hendriks jongere zus Jkvr. Anna Magdalena Strick van Linschoten die overleed op 19 november 1841 is als eerste bijgezet in het familiegraf.

Hendriks zoon Jhr. Unico Strick van Linschoten overleed tien jaar later in 1899.

Het familiegraf zal in 1841 in opdracht van Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen en Mevr. Paulina Gerardina Sibilla Poelman zijn ontworpen en geplaatst op het kerkhof bij de Dorpskerk van Bunnik.

Na het openen van de algemene begraafplaats is vermoedelijk het huidige grafmonument van de familie Strick van Linschoten in 1889 overgeplaatst van het kerkhof naar de huidige begraafplaats.

Familiegraf Strick van Linschoten van Rhijnauwen. Foto: Online-begraafplaatsen.nlFamiliegraf Strick van Linschoten van Rhijnauwen. Foto: Online-begraafplaatsen.nl

In het jaar 1890 werd een jaar later na de oplevering van de Algemene Begraafplaats buiten Bunnik het kerkhof bij de Dorpskerk gesloten. Leden van de familie Strick van Linschoten die zijn overleden in de periode 1841 tot 1889 zijn eerder bijgezet in het familiegraf wat eerder stond op het kerkhof bij de Dorpskerk van Bunnik.

Als conclusie kan je dus stellen na dit verhaal dat twee takken van de familie twee heerlijkheden hadden. De heerlijkheid, landgoed en huize Rhijnauwen en de heerlijkheid Bunnik en Vechten.

Bronnen: Daktari.antenna.nl, Wikipedia.nl, Gravenopinternet.nl, Ensie.nl, Encyclo.nl, RHCZOU 64 - 469, Dodenakkers.nl, Henk Reinders, De Oude Dorpskerk te Bunnik - uit het het verleden van een gebouw en een gemeente; (Bunnik, 1988),
Gerrit Vermeer, De Sint-Heribert of het Witte kerkje te Odijk; (Zutphen, 1987),
Saskia van Ginkel-Meester, Bunnik, geschiedenis en architectuur; (Zeist, 1989)

Lijst van bijgezette familieleden van Strick van Linschoten van Rhijnauwen

1.   Jhr. Drs. Carel Johan Strick van Linschoten. Geboren op 27 juli 1916 te Rijswijk, Zuid-Holland en overleden 5 februari 1988 te Enschede, Overijssel op 71 jarige leeftijd.

Gezicht op het graf van de familie Strick van Linschoten van Rhijnauwen in 1988 op de begraafplaats aan de Provincialeweg 63 te Bunnik. Het Utrechts Archief, catalogusnummer 5543.Gezicht op het graf van de familie Strick van Linschoten van Rhijnauwen in 1988 op de begraafplaats aan de Provincialeweg 63 te Bunnik. Het Utrechts Archief, catalogusnummer 5543.

2.   Mevr. Johanna Hendrika van der Jagt. Geboren op 28 maart 1919 te Rijswijk, Gelderland en overleden 4 maart 1978 te Zutphen, Gelderland op 59 jarige leeftijd. Echtgenote van Jhr. Drs. Carel Johan Strick van Linschoten.

3.   Jkvr. Louise Lilian Maria Strick van Linschoten. Geboren op 1 mei 1975 te Assen, Drenthe en overleden op 11 juni 1976 te Rotterdam, Zuid-Holland op 1 jarige leeftijd. Dochter van  Jhr. Hendrick Franciscus Thomas Maria Strick van Linschoten en Mevr. Elisabeth Dodonea van Hasselt.

4.   Jkvr. Arendina Strick van Linschoten. Geboren 19 juli 1887 te Leiden, Zuid-Holland en overleden op 7 oktober 1971 te Arnhem, Gelderland op 84 jarige leeftijd. Echtgenote van Cornelis Lucien Marie Bijl de Vroe. Dochter van Jhr. Carel Johan Strick van Linschoten van Rhijnauwen en Mevr. Johanna Hermanna Geertsema.

5.   Mevr. Johanna Hermanna Arendina Geertsema. Geboren op  23 september 1854 te Groningen, Groningen en overleden op 6 december 1934 te Den Haag, Zuid-Holland op 80 jarige leeftijd. Echtgenote van Jhr. Carel Johan Strick van Linschoten van Rhijnauwen.

Portret van Agatha Henriette van Notten (1829-1908)  Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.Portret van Agatha Henriette van Notten (1829-1908) Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.

6.   Jkvr. Agatha Johanna Elizabeth Strick van Linschoten. Geboren op 24 januari 1856 te Rhijnauwen, Utrecht en overleden op 1 februari 1926 te Bunnik, Utrecht op 70 jarige leeftijd. Dochter van Jhr. Hendrik Strick van Linschoten van Rhijnauwen en Mevr. Agatha Henriëtta van Notten.

7.   Jhr. Carel Johan Strick van Linschoten van Rhijnauwen. Geboren op 9 april 1853 te Rhijnauwen, Utrecht en overleden op 14 juni 1910 te Bunnik, Utrecht op 57 jarige leeftijd. Echtgenoot van Mevr. Johanna Hermanna Arendina Geertsema.

8.   Mevr. Agatha Henriëtta van Notten. Geboren op 2 juli 1829 te Amsterdam, Noord-Holland en overleden op 1 oktober 1908 te Utrecht, Utrecht op 79 jarige leeftijd. Echtgenote van Jhr. Hendrik Strick van Linschoten van Rhijnauwen.

9.   Jhr. Unico Hendrik Strick van Linschoten. Geboren op 16 maart 1859 te Vechten, huize Rijnsoever, Bunnik, Utrecht en overleden op 7 april 1899 te Zeist, Utrecht op 40 jarige leeftijd. Zoon van Jhr. Hendrik Strick van Linschoten van Rhijnauwen en Mevr. Agatha Henriëtta van Notten.

10.   Jhr. Hendrik Strick van Linschoten van Rhijnauwen. Geboren op 28 juli 1827 te Rhijnauwen, Utrecht en overleden op 14 februari 1889 te Bunnik, Utrecht op 61 jarige leeftijd. Echtgenoot van Mevr. Agatha Henriëtta van Notten.

11.   Jkvr. Petronella Johanna Strick van Linschoten. Geboren op 24 juli 1823 te Rhijnauwen, Utrecht en overleden op 14 juni 1888 te Utrecht, Utrecht op 64 jarige leeftijd. Echtgenote van Willem Theodorus van Griethuysen. Dochter van Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen en Mevr. Paulina Gerardina Sibilla Poelman.

12.   Jhr. Willem Strick van Linschoten. Geboren op 10 november 1824 te Rhijnauwen, Utrecht en overleden op 28 januari 1878 te Veenendaal, Utrecht op 53 jarige leeftijd. Echtgenoot van Dido Cecilia Agatha Delbeek. Zoon van Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen en Mevr. Paulina Gerardina Sibilla Poelman.

13.   Jhr. Jan Hendrik Strick van Linschoten. Geboren op 18 november 1829 te Rhijnauwen, Utrecht en overleden op 18 juni 1869 te Utrecht, Utrecht op 39 jarige leeftijd. Zoon van Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen en Mevr. Paulina Gerardina Sibilla Poelman.

14.   Mevr. Pauline Gerardine Sibylle Poelman. Geboren op 12 november 1796 te ‘s Gravenhage, Zuid-Holland en overleden op 17 augustus 1868 te Bunnik, Huize Rhijnauwen, Utrecht op 71 jarige leeftijd. Echtgenote van Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen.

15.   Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen. Geboren op 24 december 1790 te Utrecht, Utrecht en overleden op 20 februari 1850 te Rhijnauwen, Utrecht op 59 jarige leeftijd. Echtgenoot van Mevr. Pauline Gerardine Sibylle Poelman.

16.   Jkvr. Anna Magdalena Strick van Linschoten. Geboren in 1837, overleden in november 1841 en begraven op 19 november 1841. Dochter van Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen en Mevr. Paulina Gerardina Sibilla Poelman.

Notitie, opmerkingen en bronnen:

1.   Tot 31 januari 1857 was Rhijnauwen een zelfstandige gemeente. Op 1 januari 1858 is Rhijnauwen opgegaan in de nieuwe gemeente Bunnik.
2.   Het familiegraf Strick van Linschoten van Rhijnauwen is aangelegd op 19 november 1841. De laatste bijzetting vond plaats op 9 februari 1988. In totaal zijn er 16 personen bijgezet in dit graf. Bron: Stichting Algemene Begraafplaats Odijk. Deze stichting beheert ook de Algemene Begraafplaats te Bunnik.

Nazaten

Tot op de dag van vandaag zijn er nog nazaten van de laatste bewoners van het Landgoed Rhijnauwen. Uit het huwelijk van Jhr. Carel Johan Strick van Linschoten en Johanna Hendrika van der Jagt. Zij die als laatste twee personen bijgezet in het familiegraf in Bunnik. Uit het huwelijk van Carel Johan en Johanna kwam een zoon voort Jhr. Hendrick Franciscus Thomas Maria Strick van Linschoten hij werd geboren op 10 februari 1953. Hij trouwt op 19 december 1973 met Elisabeth Dodonea van Hasselt. Geboren 5 februari 1953 te Bloemendaal.

Uit dit huwelijk zijn vier kinderen bekend:
Jkvr. Louise Lillan Maria Strick van Linschoten, geboren op 1 mei 1975 in Assen, overleden op 11 juni 1976 in Rotterdam,
Jhr. Carel Johan Strick van Linschoten, geboren op 18 januari 1977 in Rotterdam,
Jhr. John Henry Strick van Linschoten, geboren op 29 september 1978 in Chertey (Groot-Brittannie),
Jhr. William Alexander Strick van Linschoten, geboren op 8 november 1983 in Sharjah (Verenigde Arabische Emiraten).

Bron: http://www.kloek-genealogie.nl/Raap2.htm

Boerderij "De Uithof", Toulouselaan 45

Gezicht op de voormalige boerderij De Uithof (Toulouselaan 45) te Utrecht in 2014, hier in gebruik als gebouw voor Kinderopvang Partou. Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer: 825344.Gezicht op de voormalige boerderij De Uithof (Toulouselaan 45) te Utrecht in 2014, hier in gebruik als gebouw voor Kinderopvang Partou. Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer: 825344.

De boerderij is in de vroege 17e eeuw gebouwd. Ze wordt getypeerd als een T-boerderij. Inwendig zijn de ruimtes gelijkvloers ingedeeld op een onderkelderde opkamer na. Overige binnenruimtes bestaan (onder meer) uit een grote kamer en een zijkamer in het woongedeelte, en een bedrijfsgedeelte. Tot het monumentale interieur behoren zaken als een schouwbetegeling en moer- en kinderbalken met sleutelstukken. De gevels zijn uitgevoerd in baksteen met wolfeinden en muurankers. Daarnaast zijn eikenhouten spanten aangebracht onder het rieten dak.

Kaart Rhijnauwen door J.P. Colognac, in opdracht van J.B. Strick van Linschoten, 1779. (Het Utrechts Archief). Bron: Amelisweerd en Rhijnauwen Cultuurhistorisch onderzoek Albers Adviezen Historische Parken Utrecht.Kaart Rhijnauwen door J.P. Colognac, in opdracht van J.B. Strick van Linschoten, 1779. (Het Utrechts Archief). Bron: Amelisweerd en Rhijnauwen Cultuurhistorisch onderzoek Albers Adviezen Historische Parken Utrecht.

De boerderij dankt haar naam aan de kloosterboerderijen (uithoven) die in het toenmalige gebied Oostbroek werden gesticht. Vanaf omstreeks 1960 is het agrarische karakter voor een aanzienlijk deel verdwenen uit het gebied door vooral de grootschalige verplaatsing van de Utrechtse universiteit vanuit de binnenstad naar deze locatie. De in die ontwikkeling ontstane subwijk De Uithof zou haar naam gaan ontlenen aan boerderij De Uithof. De boerderij kreeg ook daarin een nieuwe rol en werd begin jaren 1960 ingericht als proefboerderij voor de universiteit. In die hoedanigheid werd er onder meer een nertsenfokkerij opgezet in samenwerking met de Nederlandse pelsindustrie.

Na lange leegstand is de boerderij eind 20e eeuw herbestemd als kinderdagverblijf. In 2004 brak er een grote brand uit en in de jaren erna heeft er nieuwbouw/herbouw plaatsgevonden.

Bron: Wikipedia

Boerderij De Uithof op een kadaster hulpkaart uit het jaar 1913, gemeente De Bilt, Sectie C. Bewoond toen door Anthony Helmert Jan van Scherpenzeel en zijn gezin. Familie Strick van Linschoten van Rhijnauwen als de eigenaar.. Bron: Kadasterarchiefviewer 1832-1987.Boerderij De Uithof op een kadaster hulpkaart uit het jaar 1913, gemeente De Bilt, Sectie C. Bewoond toen door Anthony Helmert Jan van Scherpenzeel en zijn gezin. Familie Strick van Linschoten van Rhijnauwen als de eigenaar.. Bron: Kadasterarchiefviewer 1832-1987.

Boerderij De Uithof was tot het jaar 1696 een pachtboerderij van het Klooster op landgoed Oostbroek in De Bilt. In dat jaar verkocht de landeigenaar van Oostbroek de boerderij aan een particulier grondeigenaar.

In het jaar 1722 komt De Uithof in handen van de Heer van Rhijnauwen. Melchior ten Hove is dan op dat moment de eigenaar van het landgoed.


Op 2 oktober 1772 toen Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten Landgoed Rhijnauwen aankocht was de boerderij nog niet in zijn bezit. Pas op 4 januari 1773 kwam De Uithof in zijn bezit na aankoop van de laatste vast-, en onroerende goederen die bij het landgoed gevoegd konden worden.

David ten Hove de edelman uit Amsterdam zoals je hierboven las verkocht op die datum van 1773 zijn laatste goederen behorend bij Rhijnauwen aan Jhr. Jan Balthazar. David was de zoon van Melchior.

Vanaf het midden van de negentiende-eeuw kwam er een nieuwe pachter op de boerderij. Dat was Antony van Scherpenzeel. In de loop van die eeuw werd de huidige Zandlaan naar hem genoemd onder de bevolking, 'het Laantje van Toon van Scherpenzeel'.

Antony kwam uit een groot gezin. De familie Van Scherpenzeel kwam al eeuwen lang voor in de omgeving van De Bilt, Bunnik, Odijk en Langbroek enz..

Anthony's vader Helmert van Scherpenzeel trouwde in 1801 met Hilligje Zwetselaar of
Zwitselaar of Swetselaar of Suitselaar. Uit dit huwelijk kwamen 5 zonen en 1 dochter voort. Waaronder ook nog een andere zoon Evert van Scherpenzeel de broer van Antony.

De beheerder van deze website Houtense Hodoniemen is de zesde generatie na Evert van Scherpenzeel, Sander van Scherpenzeel is de naam. De broer van Sanders voorvader Evert van Scherpenzeel heeft dus een laan naar zich genoemd gekregen. Dus blijkt Houtense Hodoniemen toch nog een beetje zijn eigen familie straatnaam te hebben. Maar dan wel in een ver verleden.

In de familie historie Van Scherpenzeel in Bunnik en omgeving gaat het verhaal dat Anthony van Scherpenzeel die in 1804 geboren is. Een remplaçant zou zijn geweest voor Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen die geboren was in 1790. Die vervanging als soldaat zou dan plaats gevonden moeten hebben in de tijd dat het Napoleontische legers van ruim 691.500 man sterk naar Rusland trok om te vechten tegen de Tsaar. Als dank zou Anthony van Scherpenzeel boerderij De Uithof gekregen hebben in pacht van Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten van Rhijnauwen de vader van Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten. Men kon aan het begin van de negentiende-eeuw dus voor een rijker iemand in dit leger dienen zodat de baron of de jonkheer er niet in hoefde. De lagere burgelijke stand nam dan wel deel aan het leger als soldaat en kreeg hier ook flink voor betaald voor deze remplacimentie door de oudere adel van die tijd.


Helaas na onderzoek door onze stichting naar dit familie verhaal valt op te maken dat er in het verleden gebluft is of er een verwarring in de familie geschiedenis is ontstaan. Jhr. Jan Carel Wendel heeft ook gediend in het leger van Napoleon in de veldtochten naar Rusland die vanaf juni 1812 begonnen. Jan Carel Wendel moet dan 22 jaar zijn geweest. Hij is teruggekeerd naar het landgoed Rhijnauwen. De Antony van Scherpenzeel die in 1804 was geboren en als remplacant zou hebben gediend voor Jan Carel Wendel zou nooit als kindsoldaat in dit leger hebben gediend en zou dan nauwelijks 8 jaar zijn geweest. Maar er zijn op de wereld zoals we weten nog meer 'Hondjes die Vicie heten' .

Een andere Anthony van Scherpenzeel die wel in dezelfde periode is geboren als Jan Carel Wendel maar dan in 1789 het levenslicht zag heeft wel in dit leger van Napoleon gediend. Op Archieven.nl is dat te vinden. Op genealogische websites is wel duidelijk op te maken dat men niet weet wanneer hij overleden is. Daarom is het zeer aannemelijk dat deze Anthony niet is teruggekeerd van de veldtochten naar Rusland. Deze veldtochten die vanaf 1812 zijn gehouden naar het noordoosten van Rusland waren zo vreet, koud en moordend dat ruim 680.000 manschappen de dood vonden. En waarvan maar 40.000 manschappen konden terugkeren. In die veldtochten kon het zo koud zijn dat men elkaar opat als kannibalen of om nog een beetje aan vocht of drinken te komen elkaar zeik of paardenplas dronk.

Boerderij De Uithof in 1968. Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer: 79967.Boerderij De Uithof in 1968. Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer: 79967.


Jan Hoynck van Papendrecht: Hollandse infanterie bij de brug over de Berezina (Wit-Rusland) in 1812.Jan Hoynck van Papendrecht: Hollandse infanterie bij de brug over de Berezina (Wit-Rusland) in 1812.

In Het Utrechts Archief is in het notarieel archief van notaris Grootveld een akte van 2 augustus 1813 te vinden. Hierin staat te lezen dat Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten voor zijn 79 jarige vader moet zorgen om zijn administratie bij te houden. Jan Balthazar was al vanaf 1807 blind. Hij en zijn zoon woonde in dat jaar aan de Drift 416 te Utrecht. Jan Carel Wendel wilde helemaal niet in het Franse leger om ten strijde te trekken naar Rusland in de veldtochten. Dit zal ook een van de rede zijn geweest om een notariële verklaring aan de Franse Staat te schrijven zodat Jan Carel Wendel niet in het Franse leger hoefde. Toch is hij gegaan en keert al in 1814 uit Rusland terug en trouwt op 7 augustus 1822 met Mevr. Pauline Gerardine Sibylle Poelman.


Gezicht op de gracht van het Fort bij Rijnauwen te Bunnik met rechts de Zandlaan in 1920. In de volksmond Gezicht op de gracht van het Fort bij Rijnauwen te Bunnik met rechts de Zandlaan in 1920. In de volksmond 'Laantje van Toon van Scherpenzeel' geheten. Hij was bewoner van boerderij De Uithof. In jaren zestig van de twintigste eeuw werd de Zandlaan de 'Lovers Lane' genoemd naar De Biltse jeugd die hier rondhingen. Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer: 805348.


In de familielijn van Anthony die in 1789 geboren werd is geen directe familie relatie of connectie te vinden met Helmert van Scherpenzeel en zijn voorouders of de zoon Anthony van Helmert.

Anthony van Scherpenzeel was in 1840 nog wonende op het landgoed Rhijnauwen in de gelijknamige gemeente en had de functie van bouwmeester. Dus eigenlijk de conciërge van het landgoed Rhijnauwen onder Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten.

Boerderij De Uithof was tot 1975 gelegen op het grondgebied van gemeente De Bilt. Het oude adres waar de boerderij aan geadresseerd stond was de Hoofddijk 45 te De Bilt. Na 1975 is dit gedeelte bij de gemeente Utrecht geannexeerd. Het adres werd toen Toulouselaan 45 te Utrecht.

De zoon van Anthony Jan Helmert van Scherpenzeel moet in het voorjaar van 1960 boerderij De Uithof verlaten. De pachtovereenkomst met de gemeente Utrecht werd tijdig opgezegd terwijl deze door zou lopen tot het voorjaar van 1963. Bron: Het Utrechts Archief, krantenbank, 1960-04-06, pagina 2.De zoon van Anthony Jan Helmert van Scherpenzeel moet in het voorjaar van 1960 boerderij De Uithof verlaten. De pachtovereenkomst met de gemeente Utrecht werd tijdig opgezegd terwijl deze door zou lopen tot het voorjaar van 1963. Bron: Het Utrechts Archief, krantenbank, 1960-04-06, pagina 2.






De boerderij behoorde al voor 1773 bij de landbezit van landgoed Rhijnauwen maar stond wel in gemeente De Bilt. In het jaar 1919 kocht de gemeente Utrecht zoals je eerder las op de deze pagina het landgoed van Mevr. J.H.A. Geertsema de weduwe van Jhr. Carel Johan Strick van Linschoten van Rhijnauwen. Dus de familie Van Scherpenzeel die De Uithof pachten kregen een nieuwe eigenaar. De gemeente Utrecht in plaats van familie Strick van Linschoten. De laatste pachtboer Van Scherpenzeel moest in het jaar 1960 de boerderij verlaten. Omdat de boerderij door de Universiteit Utrecht gebruikt zou gaan worden. Naar inschatting heeft familie Van Scherpenzeel een kleine 100 jaar op de boerderij gewoond.

In het jaar 1909 of 1910 is De Uithof grotendeels zwaar beschadigd geraakt door een brand. In het gemeentearchief van De Bilt zijn nog aanvragen voor een bouwvergunningen te vinden om de boerderij te herstellen. De vergunningsaanvrager was de jonkheer.

Boerderijen van familie Strick van Linschoten van Rhijnauwen in de gemeente Houten

Boerderij Dijkhoeve, De Geer of Reumsthofstede, St. Huberts of Klein Wulven aan de Lobbendijk

Boerderij de Dijkhoeve fotogalerij (1946-1998)

Het minigerecht De Geer of Reumsthofstede

Cleijn Wulven wordt voor het eerst genoemd in een brief uit 1304 betreffende de waterhuishouding in het Vechter en Oudwulverbroek. Als begrenzing voor het gerechtje werdt. een kade in het Oudwulverbroek genoemd en de Lobbendijk. Hoe groot dit minigerecht was vinden we in een acte uit 1382 als Dirk van Wulven in leen heeft: 24 morgen land met het dagelijks gerecht, met de tijns en de tiende gelegen in de Parochie Houten geheten zijnde die Geer De naam Cleijn Wulven wordt dan al niet meer gebruikt. In 1474 komt het in bezit van Gerrit Aertszoon Kosijns die ook nog als achternaam Van Reumst had.

Zijn familie blijft lange tijd de bezitters van het gerechtje en we vinden dan ook in 1575 dat er een naam aan toegevoegd is; vanaf dan wordt het De Geer of Reumsthofstede genoemd. In 1578 komen we nog een andere naam van het gerechtje tegen in de rekeningen van de Lekdijk Bovendams, namelijk Huijberts gerecht van Wulven; dit is de oorspronkelijke naam, ten tijde van de verdeling van het gerecht van Wulven. In de 13e eeuw zal een zekere Huijberts van Wulven deze 24 morgen (is ruim 20 ha.) hebben gekregen. Dat dit kleine gebiedje een zelfstandig gerecht werd, was een bijzonder recht dat vermoedelijk al in de 13e eeuw door de bisschop van Utrecht bij de verdeling van de gronden van Wulven aan de voornoemde Huijbert van Wulven was verleend. Het hield in dat hij deze 24 morgen land geheel vrij bezat en vrij was van allerlei soorten belasting en zelf de lage rechtsmacht had. Dat deze rechten door de eeuwen heen niets van hun waarde hadden
verloren blijkt, als in 1662 Johan van Mansvelt, eigenaar van het minigerecht, procedeert bij het Hof van Utrecht tegen Frans van Linden de schout van Houten, omdat deze laatste het gerechtje had aangeslagen voor de Lek- en dijklasten en de Dorps- en huurlasten. De schout van Houten voerde aan dat de 24 morgen geen echt gerecht kon zijn temeer daar er maar een huis opstond en er geen bestuur was. Van Mansvelt voert aan dat hij zelf schout is en dat dat niet in strijd is met de wet. Op 4 december 1664 werd de uitspraak gedaan en van Mansvelt in het gelijk gesteld waarmee dus de rechten verbonden aan het minigerecht werden bevestigd.


Uiteindelijk werden in 1795 de heerlijke rechten opgeheven, zo ook die van het gerechtje De Geer of Reumsthofstede. Op 13 maart 1840 vindt er een verkoop plaats van een hofstede, bestaande uit een boerenwoning, een bakhuis, een schuur, twee hooibergen, een duivenhok met erve en landerijen en beplantingen zijnde het voormalige Huberts gerecht van Wulven. Sinds die tijd voert de enige boerderij die binnen dit gerechtje stond de naam Dijkhoeve.

Thans ligt op de 24 morgen het centrum van Houten.

De eigenaren van Dijkhoeve, De Geer of Reumsthofstede, St. Huberts of Klein Wulven

Lijst van de eigenaars van "XXIIII mergen lands mitgerecht, mit tijns, mit tienden also als sij gelegen
sijn in den kerspel van Houten ende geheten sijn die Gheer’’.

1.   Dyrc van Wulven 1394 - 1396
2.   Wouter van Wulven 1396 - 1397
3.   Braem uter Coernmarct 1397 - 1434
4.   Gouden, Johan van Valkendael’s echtgenote
na de dood van haar vader Braem Uter
Korenmarct 1434 - 1440
5.   Braem uuter Koermarckt 1440 - 1457
6.   Claes Johans van Valkendaell 1457 - 1474
7.   Gerijt Aernt Kosijns. 1474 - 1484
8.   Johan Geryt Aernt Cosijns. 1484 - 1494
9.   Aernt Gerijts. 1494 - 1518
10.   Gerijt Aertsz. 1518 - 1557
11.   Aert Gerrits. 1557 - 1570
12.   Gerrit Aerts van Reumsthoffstede 1570 - 1634
In 1570 luid de omschrijving; ’’Vierende twintich mergen lants mitten gherichte, thins
ende thienden gelegen in den kerspel van Houten die gheheeten sijn die Gheer ofte Ruemst hofstede mitten huysinghe bongaerts ende bepotinge daerop staende”.
13.   Aart van Reumst 1634 - 1642
14.   Johan van Toll 1642 - 1653
15.   Johan van Toll 1653 - 1653
16.   Johan van Mansvelt 1653 - 1674
17.   Hendrick van Mansvelt 1674 - 1733
18.   Maria van Mansvelt 1733 - 1735
19.   Christina van Mansvelt 1735 - 1763
20.   Wouter Rudolph van Senden 1763 - 1763
21.   Catharina Geertruyd van Senden 1763 - 1768
22.   Arien Elisz. van Schaijk 1768 - 1780
23.   Jacobus Ariensz. van Schaijk 1780 - 1787
24.   Jan Aertsz. van Schaik 1787 - 1823
25.   Aletta van Schaik wed. van Jan Aertsz. 1823 - 1840 (11)
26.   Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen 1840 - 1843
27.   Jan Balthasar Strick van Linschoten 1843 - 1890
28.   Ottolina Maria Strick van Linschoten 1890 - 1900
29.   Jan Balthasar de Meester en consorten 1900 - 1921
30.   Willem van Dijk 1921 - 1928
31.   Jochem van Dijk 1928 - 1932
32.   Hendrick Picard 1932 - 1951
33.   Frederik Carel Jan Picard 1951 - 1965
34.   B.V. Nifterik 1965 - 1973
35.   De gemeente Houten 1973 - heden



Enkele pachters: Ariaen van Oostrom en Jan Cornelis Knapschinkel; voor 1694 Jacob Dircks Clock; 1694 Arien Elisse van Schaijck en zijn broer Jan Elisse van Schaijck; 1731

Binnen de oranje lijnen de ambachtsheerlijkheid De Geer of Reumsthofstede in Houten. Rechts ten oosten van de spoorweg heden het centrumgebied Het Rond en Station Houten. Bron: Fragment van kaart P.27.4 (054577), beeldbank RHC Zuidoost Utrecht, Wijk bij Duurstede.Binnen de oranje lijnen de ambachtsheerlijkheid De Geer of Reumsthofstede in Houten. Rechts ten oosten van de spoorweg heden het centrumgebied Het Rond en Station Houten. Bron: Fragment van kaart P.27.4 (054577), beeldbank RHC Zuidoost Utrecht, Wijk bij Duurstede.

De oorspronkelijke bebouwing

Als het gerecht in het jaar 1304 wordt genoemd, mogen we aannemen dat daar toen ook al een gebouw stond waar de eigenaar of de pachter van de grond op woonde. Van dit gebouw zijn geen afbeeldingen bekend. Het stond vermoedelijk op het omgrachte terreintje dat we op de kadastrale kaart onder nr. 16 nog terug vinden. Deze gracht is pas in 1967 door de toenmalige eigenaar gedempt. Binnen deze gracht stond de woning en de daarbij behorende gebouwen voor het vee en de opslag van de oogst, oftewel een omgrachte boerderij met als toegang vermoedelijk een poortgebouw die de bewoners veiligheid bood tegen rondtrekkende roversbenden etc. Binnen de gemeente Houten lagen nog meerdere van dergelijke omgrachte boerderijen, enkele voorbeelden zijn: Overdam, Rietdijk 5; Ter Weide, Waalseweg 33 en boerderij De Stenen Poort.

Luchtfoto uit 1973 van boerderij Dijkhoeve aan de Lobbendijk (linksonder) en de daarbij behorende landerijen aan weerskanten van de spoorlijn. Bron: Luchtfoto uit 1973 van boerderij Dijkhoeve aan de Lobbendijk (linksonder) en de daarbij behorende landerijen aan weerskanten van de spoorlijn. Bron: 'De Geer of de Reumsthofstede, Leen de Keijzer, Peter Koch, Otto Wttewaall, 1988, Houten'.


Pas in 1659 krijgen we meer inzicht in de bebouwing op Ruemsthofstede, namelijk uit een bestek voor de bouw van een nieuwe woning; "Bestek en conditie waer naer de heer Johan van Mansvelt scheepen ende raet inde Vroedschap der stad Utrecht wil besteeden het maecken en leeveren en stellen van een huijs op de hofsteede tot Houten van ouds genaemt Rumps hofsteede in vorme alst volcht op sijne kost ende dranck vrachten en al". Op 1 augustus 1659 moest de boerderij worden opgeleverd. Het werk werd aangenomen door Frans van Reumelaer voor de som van f 588,  met de toevoeging dat de opdrachtgever enkele bouwmaterialen beschikbaar stelde, o.a. oude kruiskozijnen, stijgerdelen, enig ijzerwerk en nog wat afgebrand werk.

Reconstructie tekening van de Dijkhoeve in 1659

Waarschijnlijk was een brand de aanleiding tot de nieuwbouw. Volgens het bestek kreeg het gebouw een afmeting van 44 x 41 voet (13,81 x 12,87 m.). Het voorhuis 41 x 17,5 voet (12,87 x 5,49 m.) en het achterhuis 41 x 23,5 voet (12,87 x 7,38 m.). Het voorhuis had een grote woonkamer met een schoorsteen en een bedstede, naast de voorkamer was een kelder en een zijkamer met nog een bedstede. De kelder was 2 voet diep en had een oppervlakte van 9x9 voet. In de woonkamer moest een plavuizen vloer komen,
het zijkamertje, de kelder en ook de kamplaats kregen een stenen vloer. De voorgevel van het woonhuis werd gemetseld in kalkspecie met nieuwe stenen. De zijgevels van het voorhuis en de muur tussen het voorhuis en de koestal werden gemetseld met savereerd (gezuiverde aarde) met gebruikte stenen. De zijmuur en de tussen muur werden aan beide kanten bepleisterd met kalk en de voorgevel werd aan de buitenkant gevoegd. Verder vermeld het bestek een ingang in de voorgevel met een boven- en onderdeur en boven het deurkozijn twee ramen. In het voorhuis kwamen ook twee kruiskozijnen en een half kruiskozijn die waarschijnlijk in het zijkamertje kwam. Over het gehele voorhuis kwam een balklaag met een planken vloer. Het achterhuis ofwel de koestal had een fundering die een voet boven het maaiveld uitstak. Daarop kwam een sloof (een balk) met 15 staande palen met daarop de muurplaat. die even hoog kwam als bij het voorhuis. Ook de achtergevel werd in hout uitgevoerd met daarin opgenomen de hoofddeur en de staldeuren. De buitenwanden werden bekleed met planken, de een over de ander. Het hout voor de palen werd door de aanbesteder beschikbaar gesteld van appelbomen die op de hofstede aanwezig
waren. Het gehele dak van de boerderij werd gekapt met goede geschilde sparren en gedekt met riet.

Het gehele bestek voor de bouw omvatte 34 artikelen waarin de voorwaarden stonden waarnaar het werk moest worden uitgevoerd. De betaling van het werkgeschiede in vijf termijnen:
Ie termijn 16 julij 1659 113 - 0-0
2e termijn 27 julij 1659 300 - 0-0
3e termijn 19 september 1659 45-10-0
4e termijn 2 maart 1660 45-10-0

Bij de laatste termijn betaling wordt vermeld: "Ontvangen uijt handen voorschr. de somme van acht ende tachtich gulden waar mede onder begrepen is het maecken van vijf blieken (overzichts rekeningen) soo dat ick bekennen in alles voldaen te sijn van mijn aengenomen besteck van het maecken van het nieuwe huijs op Huijbrecht Gerecht van Wulven actum den 7e maij 1660". Frans van Reumelaer


Door middel van dit bestek is het mogelijk om het gebouw op enkele centimeters na nauwkeurig uit te tekenen, alleen over de plaats waar het gestaan heeft wordt niets vermeld, maar het zal vermoedelijk wel op het omgrachte terreintje zijn geweest. Pas na de opmeting door het kadaster in 1830 is er wat bekend over de plaats van de bebouwing, alsmede de grote en de vorm van het voormalige minigerecht. Maar de afmeting van de boerderij zoals die op de kadasterkaart
zijn aangegeven, beantwoorden niet meer aan die van de bouw in 1660, zodat we moeten aannemen dat deze alweer door een nieuw gebouw is opgevolgt. In 1830 staat de boerderij direct langs de Lobbendijk en op het omgrachte terreintje staan geen gebouwen meer, maar het doet dienst als boomgaard.

Op 16 januari 1840 verkoopt Aletta van Schaik de boerderij met de daarbij behorende landerijen aan Jan Carel Wendel Strick van Linschoten voor de som van f 18.100,—
 
De beschrijving van de gebouwen en landerijen luidt alsvolgt: "Een hofstede bestaande in een huizinge of boerenwoning, bakhuis, schuur, twee bergen, een duifhok met erve grond en tuin bepotinge en beplantingen met aanhorige boomgaard bouw en weilanden, alle tiendvrij te samen groot 20 bunders 31 roeden en 40 ellen zijnde het voormalige Huberts Gerecht van Wulven genaamd 'de Geer"'. Vanaf 1840 tot 1929 is de Dijkhoeve in het bezit van de opeenvolgende generaties Strick van Linschoten.

De boerderij en het land was in gebruik bij pachters. In 1866 vind de aanleg plaats van de spoorweglijn Utrecht - 's-Hertogenbosch. Het spoor verdeeld de 24 morgen land in twee complexen, de boerderij met ongeveer de helft van het land aan de westkant van het spoor en de andere helft van het land aan de oostkant. In de jaren 1884-1886 vermeldt het kadaster een verbouwing: het bouwen van een bijgebouw en het bouwen van een schuur. Dit bijgebouw is waarschijnlijk het in 1986 afgebroken bakzomerhuis. In 1921 wordt door koop, Dijkhoeve eigendom van Willem van Dijk, een veehouder die er zelf op woonde. Als in 1928 Jochem van Dijk eigenaar is geworden, verhuurdt deze de boerderij aan Jan Veen. In 1932 komt er een einde aan het bestaan van de 24 morgen.

Jochem van Dijk verkoopt de boerderij met de grond aan de westkant van het spoor aan H.Picard,
koopman te Utrecht, de grond aan de oostkant van het spoor wordt gekocht door Reyer van Dijk die ze toevoegd aan zijn boerderij aan de Odijkseweg. H. Picard laat de Dijkhoeve bewonen door een van zijn personeelsleden de heer Steven van Oostrom, die het bakzomerhuis bewoonde. De Dijkhoeve zelf verkeert dan in slechte staat en wordt niet meer bewoond. Picard laat het woongedeelte inrichten als paardenstal en het achterhuis als bergruimte. In 1951 werd zijn zoon F.C.J. Picard eigenaar die al vanaf 1941 bakzomerhuis bewoonde. In een gesprek met de heer Picard (dd. 15-7-88), kon deze zich nog goed herinneren dat er naast het bakzomerhuis een terreintje was, dat hoger lag dan zijn omgeving met, zoals de heer Picard het verwoordde, omgeven door een sloot die breder en dieper was dan de andere perceelssloten (dit was het terreintje van de voormalige omgrachte boerderij). Het duifhok dat in 1840 bij een verkoop werd vermeld is bij zijn komst op de boerderij al verdwenen wel waren er nog drie hooibergen waarvan er al kort daarna twee gesloopt werden.

Boerderij Dijkhoeve aan de Lobbendijk omstreeks 1975. Bron: fragment foto RHC Zuidoost Utrecht, beeldbank.Boerderij Dijkhoeve aan de Lobbendijk omstreeks 1975. Bron: fragment foto RHC Zuidoost Utrecht, beeldbank.

In 1965 koopt B.V. Nifterik Dijkhoeve. Hij laat in 1967 de oude fruitboomgaard op het omgrachte terreintje rooien, het perceel egaliseren en de grachten dempen Het geheel wordt daarna ingepoot  met een struiken-boomgaard. Tenslotte laat hij in 1969 een nieuwe schuur bouwen, deze schuur werd in 1980 door de gemeente verbouwd tot het sociaal cultureel centrum Dijkhoeve. Op 29 oktober 1973 verkoopt B.V. Nifterik de Dijkhoeve met de bijgebouwen en de aanliggende gronden aan de gemeente Houten ten behoeve van de uitbreiding van het dorp. In 1980 laat de gemeente de boerderij en de hooiberg slopen en in 1986 ondergaat het bakzomerhuis hetzelfde lot. En nog in 1988 zal de tot sociaal cultureel centrum verbouwde schuur eveneens worden gesloopt.
Binnen enkele jaren zal het na sloop vrijgekomen oude woonperceel met zijn rijke geschiedenis door de nieuwbouw van Houten zijn bedekt.

Overgenomen uit: 'De Geer of de Reumsthofstede, Leen de Keijzer, Peter Koch, Otto Wttewaall, 1988, Houten'.

Boerderij 'Zorgvliet', gelegen aan De Poort 8, 10, 10A en Suevenpoort 16

Geschiedenis boederij Zorgvliet

‘Zorgvliet’ was de naam van een zeventiende-eeuwse buitenplaats die tot in het begin van de negentiende eeuw ten zuidwesten van de huidige langhuisboerderij lag. Deze is in 1926 in opdracht van M. Oostveen gebouwd, ter vervanging van  een oudere boerderij, die ooit deel uitmaakte van de buitenplaats. Het ontwerp was van architect G.J. Brinkhof uit De Meern. Een gevelsteen vermeldt: ‘Deze steen/ is gesteld/ door/ Maria Oostveen/ 25 Maart 1926’. De voorgevel heeft een risalerende middenpartij waartegen een rondbogig portiek met balkon is geplaatst. Links van de portiek bevindt zich een grote serre. Opvallend zijn de halfronde roeden bovenlichten van de balkondeuren en vensters op de verdieping. Beide zijgevels hebben eveneens risalerende middenpartijen onder steekkappen in de vorm van wolfdaken. Terracotta pirons bekronen de nokvorsten. In 1964 is
het voorhuis in twee woningen gesplitst. Links van het hoofdgebouw staat nog een schuur uit 1908, die door een aanbouw met de boerderij is verbonden. Overgenomen uit: Houten Historische Bebouwing. O.J. Wttewaall en J.A.M. Smits 1991.

De Naam Zorgvliet betekend: 'De geweken zorgen' of 'De verdwenen zorgen'.

DE BOUWGESCHIEDENIS VAN ZORGVLIET


Op de opgravingstekening zijn een groot aantal funderingen getekend, aangegeven met A t/m I, die ons een beeld geven van de bouwgeschiedenis van het huis Zorgvliet en van het
huis dat eerder op dezelfde plek stond.

De eerste bouwperiode

Binnen de bouwgeschiedenis onderscheiden we twee bouwperioden. De oudste van de twee bouwperioden heeft sporen achtergelaten aan de zuidzijde van het opgravingsvlak. Funderingen van een gebouw bevinden zich bijna geheel onder de daar gelegen geluidswal en zijn niet opgegraven. Het gedeelte van het fundament dat maar voor een klein deel in het opgravingsvlak was gelegen, direct naast de geluidswal, was afgedekt door een brandlaag van as, stro en houtresten. Onder deze brandlaag werden scherven gevonden van blauwgrijs aardewerk en steengoed, stammende uit het einde van de 15de eeuw. Deze
vondsten geven aan dat het gebouw in het begin van de 16de eeuw moet zijn afgebrand. Het steenformaat dat voor de funderingen gebruikt is, is 29 x 14x7 cm, een formaat dat bekend is onder de naam ’kloostermop’.

Deze kloostermoppen werden al in de 14de eeuw gebruikt. Doordat de funderingen van het gebouw niet geheel opgegraven konden worden, is het onmogelijk een juiste datering voor deze bouwperiode te geven. In ieder geval kunnen we de aanwezigheid van een gebouw in de 16de eeuw bevestigen.

Tussen het vondstmateriaal van deze bouwperiode bevindt zich een interessante bijzonderheid, namelijk leemresten die door de hoge temperaturen tijdens de brand en van de nagloeiende aslaag tot vaste brokken zijn gebakken.

Onderzoek wees uit dat de leem afkomstig is van de vlechtwerkwanden, die ter isolatie met deze grondstof bestreken waren. In de vaste brokken zijn de uitsparingen nog zichtbaar van het weggebrande vlechtwerk.

We kunnen dus op grond van deze vondsten concluderen dat het gebouw uit de oudste bouwperiode moet zijn opgetrokken uit gemetselde muren en houten vlechtwerk wanden. In het opgravingsvlak bevindt zich nog een aantal funderingen van andere gebouwen uit de oudste bouwperiode. Deze funderingen zijn op de opgravingstekening aangegeven met A t/m D.

A    Een gedeelte van een ovaal keldertje met een diepte van 90 cm en een stenen
vloer. De afmeting van de stenen is 29 x 14 x 7 cm.

B    Een fundering met de afmeting 2,30 x 2,30 m. Vermoedelijk is dit het
fundament van een duiventoren. De afmeting van de stenen is 29 x 14x7 cm.

C    De funderingen van een gebouw, die onder de geluidswal verder lopen. De afmeting van de stenen is 29 x 14 x 7cm. Op de vloer liggen geel geglazuurde plavuizen met de afmeting 16,2 x 16,2 x 3,2 cm.

D    Een keldertje met de afmetingen 2,20 x 2,05 x 0,80 m. Het keldertje heeft een stenen vloer. De stenen hebben de afmeting 29 x 14 x 7cm. In het keldertje lag een laag verkoold hooi en stro van 30 cm dik.

De tweede bouwperiode

Na de brand, die aan het begin van de 16de eeuw de gebouwen uit de eerste bouwperiode verwoestte, is aan de noordkant van het terrein een nieuw gebouw opgetrokken. De opgegraven en gedetermineerde bouwmaterialen, aardewerkscherven en glasscherven tonen aan dat deze woning rond 1650 gebouwd moet zijn. Het gebouw was vrij groot en had vele voorzieningen. Deze zijn op de opgravingstekening aangegeven met E t/m I.

E    Een grote kelder met de afmetingen 4,30 x 3,30 m. De toegang tot de kelder werd verschaft door een gemetselde, stenen trap. De stenen hebben de afmetingen 22 x 11 x 4 cm en 23 x 11,5 x 4,5 cm. De vloer van de kelder was belegd met lichtbruin geglazuurde plavuizen met de afmetingen 22 x 22 x 2,5 cm. F Een regenwaterbak met de afmetingen 1,70 x 6,55 m. De bak was opgebouwd met stenen met de afmetingen 22 x 10 x 4 cm en 23 x 10,5 x 4 cm. De bak was aan de binnenkant bekleed met ongeglazuurde, blauwgrijze plavuizen met de afmetingen 22 x 22 x 2,5 cm. De waterbak werd afgesloten met een overkluizing waarin een opening voor een pompbuis was uitgespaard. De bak bevond zich geheel onder de grond, afgedekt door een dikke laag aarde. Op deze wijze werd het regenwater stofvrij, koel en vorstvrij bewaard. Het regenwater diende als drinkwater en voor het gebruik in de keuken. Voordat de waterbak gebouwd werd is eerst een laag eiken boomstammetjes op de grond gelegd ter grootte van de bak. Hierop werd een vloer gelegd uit 3 cm dikke planken. Op deze vloer werd de regenwaterbak gemetseld. Dit vloertje was noodzakelijk voor de gelijke verdeling van het gewicht van de bak. Bij ongelijke gewichtsverdeling zou de bak door verzakking kunnen gaan scheuren en lekken.

G    Voor de afvoer van de gootsteen etc. zijn een aantal gemetselde goten aangebracht
die het water in overkluisde zinkputten loosden.

H    Een pompput, gestapeld op een houten wagenwiel, met een gemetselde kluis waarin een opening voor de zuigbuis van een pomp was aangebracht. Over de functie van het wagenwiel kunt u uitvoerig lezen in het hoofdstuk HOUT.

I    Een beerput met een gestapelde onderkant die rust op een planken raamwerk. De
kluis van de put was tijdens de sloop al verwijderd. Over de indeling van het gebouw worden we uitvoerig ingelicht door een beschrijving die gegeven werd bij de verkoop van het huis op 12 augustus 1808.1 Aangezien de tekst een zeer gedetailleerde weergave van het gebouw geeft, is er voor gekozen de tekst geheel over te nemen.

12 augustus 1808
Een bijzonder tot de jagt wel gelegene buitenplaats genaamd Zorgvlied gelegen bij den dorpe van Houten, een uur van de stad Utrecht, bestaande in een heeren huizinge, waar van de gang bij ’t inkomen in 't voorhuis met wit marmere steen belegd ende huizinge voorzien is aan de een zijde van drie kamers. De eerste behangen met geschilderd doek en een fraaije schoorsteen. De tweede met dito behange schoorsteen, de derde zijnde een zeer groote kamer met een beschildert behang en zeerfraaije schoorsteen met een schilderstuk penant spiegel en verguld penant tafeltje met een marmer blad, aan de andere zijde eerst een gemakkelijke trap daar aan volgende een met zes trappe opgaande fraaije behangen kamer met een schoorsteen en secreet en onder dezelve kamer een schoone overkluisde
wijn en bier kelder, daar naast een kleine kamer waar aan een tweede gemak ofsecreet, dan een grootere behangen kamer, item ruime keuken metfournuisen 1 put en regenwaterpomp en daarbij een overkluisde prooisiekelder, boven die kelder een domistique kamer en hierbij een tweede trap. Boven twee logeerkamers een prooisie kamer en nog een domistique kamer en groote zolders, een spatieuse koetshuis en ten weder zijden stallinge ieder voor zes paarden waar van de eene met een steene krib, koetsiers kamer en extra groote hooi zolder, ter zijde een schuur voor turf als anders, groote menagerie, welaangelegde tuinen met schuttinge met persiken en andere vruchtboomen, als mede eene steene
muur gegarneerd met persiken, abricosen boomen en wijngaarden, aan 't begin van dezelfde een put waters pomp, en agter die muur een groote loots tot berging van brandhout en 7 geene de tuinen betreft, voortsfransche boomgaard allerhande verdere fijne exquise vruchtdragende boomen, lanen van ijpe ijke en beukeboomen, slinger en andere boschen te zamen groot ruim vier en een halve mergen.

Bron: in 1988 nog Rijksarchief Utrecht, Protocollen van transporten 1682- 1810. Rechteliike archieven. Wulven nr. 1291. Heden te vinden in het archief 64 Dorpsgerechten, RHC Zuidoost Utrecht, Wijk Bij Duurstede.

De buitenplaats, zoals Zorgvliet in de verkoopbeschrijving wordt genoemd, wordt gekocht
door Pieter de Goey voor de som van Fl. 7800,-. Pieter de Goey is na 1796 de vierde
koper van Zorgvliet. Hieruit mogen we opmaken dat het moeilijk was een vaste bewoner
voor zo’n soort buiten te vinden. Dat zal ook de reden geweest zijn waarom het gebouw
in 1821 werd afgebroken. Na zo’n vijf eeuwen kwam er een einde aan de bouwgeschiedenis van het terrein waar eens de buitenplaats Zorgvliet stond. Geschreven door Leen de Keijzer.


EIGENAREN EN BEWONERS VAN ZORGVLIET

Bewonerslijst:
1599            Wouter Frederikse van Bemont (OSG)
1667             Steven van Sijll? (Consumptiegeld 1667) ca 1669-ca 1685 Jhr. Paulus van Soudenbalch (vertr. naar IJsselstein)
1686              Staat leeg
1690              Frans van Linden en/of Steven van Sijll
(vermoedelijk was Steven van Sijl in 1667, 1690 boer)
1691               Adriaan Claasz. Frans van Linden en/of Jasper van Linden en/of
1692-1711     Jasper van Linden (tot 1700 oudschout, daarna schout)
1699               Jan Willemsz. Bosch
1711-1714     Jasper Scheurwater
1714-1731     Jasper van Lynden en Digna Elisabeth Booth
1731               Staat leeg
1731-1740     ?
1740-1759     Evert Cornelis van der Capellen, heer van Mijdrecht
1759-1796     Daniel Cornelis van der Capellen. heer van Mijdrecht
na 1796          Staat leeg?

Eigendomsstructuren van Zorgvliet

OSG 1536     Jan Dirksz. te Utrecht 4m + hoff.
OSG 1599     Huisvrouw van Adriaan Bemont, bruyker Wouter Frederikse (van
Bemont).
OSG 1691     Nu eigendom wed. Mr. Ploos van Amstel te Utrecht a/d Strosteeg br.
Adriaan Claesz. won Houten. Ploos van Amstel of Zoudenbalch? Frans van Linden en Judith van Rheenen.
-1690            1/2 Frans van Linden, 1/2 erven Judith van Rheenen. (1M)
1690-1692   1/3 Jasper van Linden, 1/3 Dirk van Linden en 1/3 Anthonetta van
Linden gehuwd met Hendrik Roeck.
1692-1709   Jasper van Lynden.
1709-1711   Jasper van Lynden en Digna Elisabeth Booth, bewoners.
1711-1714   Jasper Scheurwater pander van Jasper van Lynden, bewoner.
1714-1731   Jasper van Lynden en Digna Elisabeth Booth, bewoners.

1731- 1732   Digna Elisabeth Booth, woonde te Utrecht.
1732- 1734  Gerlach Frederik-, Alexander Hendrik- en Evert Comelis van der
Capellen en Jasper Scheurwater.
1734             Gerlach Frederik-, Alexander Hendrik- en Evert Corned van der
Capellen.
1734-1740   Alexander Hendrik van der Capellen.
1740-1759   Evert Cornelis van der Capellen, heer van Mijdrecht, bewoner.
1759-1796   Daniel Cornelis van der Capellen, heer van Mijdrecht, bewoner.

1796 (1) 20 juni 1796, Daniel Cornelis van der Capellen, heer van Mijdrecht draagt over aan Jan Kol (de buitenplaats Zorgvliet, de naam wordt niet vermeld) alsmede de boerderij 14 januari 1796 ten overstaan van notaris Willem Dop gepasserd.

1803 (2) 20 oktober 1803, Jan Kol draagt over aan Cornelis Frederik d’ Hangest d’Yvoy de  buitenplaats Zorgvliet en de boerderij. 20 mei 1803 ten overstaan van notaris Jan de Wijs gepasseerd.

1806 (3) 1 juli 1806, Cornelis Frederik d’ Hangest d’Yvoy verkoopt publiek de buitenplaats Zorgvliet en de boerderij aan Jean Gossiaux.

1809 (4) 13 september 1809, Jean Gossiaux verkoopt aan Pieter de Goey wonende onder de Gerechte van Schonauwen de buitenplaats Zorgvliet 12 augustus 1809 ten overstaan van notaris Willem Voorsteegh publiek verkocht te Houten.

1809 (5) 2 oktober 1809, Jean Gossiaux verkoopt aan Jan Peek de boerderij behorende bij de buitenplaats Zorgvliet met landerijen 12 augustus 1809 ten overstaan van notaris Willem Voorsteegh publiek verkocht.

1819 (6) Nr. der woning: 5. Buitenplaats gedeeltelijke geamoveerd. 1821 geheel geamoveerd Pieter de Goey. Geschreven door Henk Reinders, Bunnik

Overgomen uit: Zorgvliet Archeologische vondsten "van een bijzonder wel gelegene buitenplaats bij den dorpe van Houten", 1992, uitgave Archeologische Werkgroep 'Leen de Keijzer'.

Eigenaren van boerderij Zorgvliet van 1 oktober 1832 tot 1987

1.   Jan Peek   (1832 - 1838)

2.   Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen   (1838 - 1850)

3.   Jhr. Jan Balthazar Strick van Linschoten (zoon)   (1850 - 1890)

4.   Ottolina Maria van Notten (echtgenote)    (1890 - 1905)

5.   Jan Cornelis Schinkel   (1905 - ... )

6.   Cornelis Oostveen, weduwe Anthonia Agtha de Wit ( ... - 1943 )

7.   Wilhelmus Franciscus Gerardus Sturkenboom (1943 - 1952)

8.   Wilhelmus Franciscus Gerardus Sturkenboom, weduwe Josephina Jacoba Oostveen (1952 - 1965)

9.   Gemeente Houten (1966 - 1987)

Bron: Kadasterarchiefviewer 1832-1987

Houtensewetering 19

Boerderij Houtensewetering 19 in het jaar 2000. Is ooit aangekocht door Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen in 1840 van de weduwe van Jan Peek. Bron: O.J. Wttewaall, Rondom de Leedijk, 2003 ... RHC Zuidoost Utrecht, beelbank, identificatienummer: doos19 (042896).Boerderij Houtensewetering 19 in het jaar 2000. Is ooit aangekocht door Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen in 1840 van de weduwe van Jan Peek. Bron: O.J. Wttewaall, Rondom de Leedijk, 2003 ... RHC Zuidoost Utrecht, beelbank, identificatienummer: doos19 (042896).


In 1720 maakt deze boerderij deel uit van de bezittingen van het Utrechts Convent van Oudwijck. Aan het einde van die eeuw wordt hij verkocht aan Jan Peek, die daarvoor pachter van de boerderij was. De weduwe van Jan Peek verkoopt de boerderij omstreeks 1840 aan J. C. W. Strick van Linschoten. Circa 30 jaar later koopt Elisabeth Nieuwendijk de boerderij, zij was de weduwe van Cornelis Vernooij. Hierna blijft hij in bezit van de familie Vernooij. In 1928 werd een nieuwe boerderij gebouwd, hierin bevindt zich nog de kelder met tongewelf van zijn voorganger. De boerderij werd gebouwd in opdracht van J. Vernooij door de Houtense aannemer S. A. de Graaf.

Bron: O.J. Wttewaall, Rondom de Leedijk, 2003

Houtensewetering 29

Boerderij Houtensewetering 29 in het jaar 2000. Ooit aangekocht door Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen in 1838 van Willem Lagerweij. Boerderij bleef in de familie Strick van Linschoten van Rhijnauwen tot het jaar 1890. Willem Lagerweij is de verre voorvader van de Nederlands schrijfster Nelleke Noordervliet. Bron: O.J. Wttewaall, Rondom de Leedijk, 2003 ... RHC Zuidoost Utrecht, beelbank, identificatienummer: doos19 (042907).Boerderij Houtensewetering 29 in het jaar 2000. Ooit aangekocht door Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen in 1838 van Willem Lagerweij. Boerderij bleef in de familie Strick van Linschoten van Rhijnauwen tot het jaar 1890. Willem Lagerweij is de verre voorvader van de Nederlands schrijfster Nelleke Noordervliet. Bron: O.J. Wttewaall, Rondom de Leedijk, 2003 ... RHC Zuidoost Utrecht, beelbank, identificatienummer: doos19 (042907).


Volgens de kaart uit 1720 is deze boerderij op dat moment eigendom van dr. Molenaer. Deze dr. Molenaer heeft hier niet gewoond maar verpachtte hem. Ook de volgende eigenaren verpachtten de boerderij. Evenals boerderij Houtensewetering 27 koopt in 1735 Catharina van Heusden, weduwe van J. F. Mamouchet, deze boerderij. De verkoopster was de weduwe van dr. Johan Molenaer. De omschrijving in de akte luidt: ’een huijsinge of hofstede met bergen schuer en duijfhuijs, mitsgaders
omtrent sestien mergen soo bouw weij als boomgaerď. In 1832 blijkt de boerderij in bezit te zijn van Willem Lagerweij, die hem omstreeks 1838 verkoopt aan J. C. W. Strick van Linschoten. De boerderij
blijft in bezit van de familie Strick van Linschoten tot 1890, als hij verkocht wordt aan W. Sturkenboom. Zijn weduwe, Johanna Vernooij, laat omstreeks 1910 op de plaats van de oude boerderij een nieuwe bouwen. De familie Sturkenboom blijft tot op heden eigenaar. In de
achtergevel van de schuur rechts naast de boerderij zijn duivennissen aangebracht. Dit is een overblijfsel van het gebruik van vele boeren om duiven te houden, zoals blijkt uit het veelvuldig voorkomen van een ’duijfhuijs’ in zeventiende- en achttiende-eeuwse overdrachtsakten van
boerderijen.

Bron: O.J. Wttewaall, Rondom de Leedijk, 2003